Your browser version is outdated. We recommend that you update your browser to the latest version.

Columns & More Books

As these are all in Dutch, this page continues in Dutch.

If the availability of the columns on this website violates copyrights or any other rights of persons or organizations, please inform Niko Roorda, and the issue will be solved asap.


Columns in tijdschriften

In Skepter, tijdschrift van de vereniging Skepsis, heeft een serie columns van Roorda gestaan. Daarin nam hij op satirische wijze uiteenlopende vormen van bijgeloof op de hak, door ze serieus te nemen, bloedserieus zelfs, zozeer dat de consequenties daarvan bizar waren. Feitelijk een vorm van reducatio ad absurdum dus. Hier op de website worden twee voorbeelden gegeven. Klik op een link om de column te lezen.

    Geestverschijningen: column in Skepter, 2000

Deze column is zeven jaar later besproken, zoals u hier kunt zien, in NVOX, het tijdschrift van de NVON.

    Homeopathisch verdunnen, column in Skepter, 2007

Deze column gaf aanleiding tot een verwarrend debat op het Blog van Skepsis: u kunt er hier stukjes van lezen.


In 2014 werd Roorda verzocht om een aflevering te schrijven voor de vaste column - Uitgelicht genaamd - van het Fiscaal Praktijkblad, ter gelegenheid van een speciaalnummer over duurzaamheid. Klik op de link en u kunt de column lezen:

    De toekomst van geld, column in Fiscaal Praktijkblad, jaargang 13, nr. 4, 25 februari 2014


Boeken

Roorda's boeken over duurzame ontwikkeling en verwante terreinen zijn uitgebreid te vinden op een andere pagina: Books.
Roorda schreef ook een boek over zijn mathematische kunst, Worlds Weird & Familiar, dat hier beschreven is.
Hier, op deze pagina, worden enkele andere boekprojecten van Roorda getoond.

De onderstaande boeken zijn nog niet uitgegeven. Mocht u mogelijkheden zien om aan een uitgave bij te dragen, neem dan a.u.b. contact op met Niko Roorda.

Bouwpakket voor een Wereldbeeld

Een langlopend en nog lang niet voltooid project is het schrijven van een filosofisch boek genaamd  ' Bouwpakket voor een Wereldbeeld'. Enkele gedeelten worden op deze pagina getoond. Klik op een link om ernaartoe te gaan.

Uit hoofdstuk 1, Zuigen:

    12. De Twee Wetten van Behoud van Dingen
    13. De Wet van de Gelijkenis
    14. Tijd en oorzaak

Uit hoofdstuk 2, Magische gedachten:

    31. Gelijkende gebeurtenissen
   
32. De Wet van Mij
    33. Gretiggelovig

Uit hoofdstuk 4, Verklaren:

    62. De Wetten van de Eenvoud

Pieter God en Bob Christus
Een gedramatiseerd verslag van een wetenschappelijk onderzoeksproject naar de Aard van God

Dit boek is voltooid. Het is een avontuurlijke roman, door Roorda omschreven als een 'satirische reli-thriller'. De auteur, tevens de ik-figuurin het boek, staat beschreven als 'Dr. Niko Roorda, onderzoeksleider'. Andere hoofdpersonen zijn onder meer - het zal u niet verbazen - Pieter God en Bob Christus.

Het voorwoord begint als volgt:

Het begon allemaal toen we een onderzoek deden naar een van de grootste onopgeloste raadsels van onze tijd: de Heilige Drie-eenheid.

Niemand had kunnen denken dat onze wetenschappelijke onderzoeksgroep IOCUS daarbij zúlke onthutsende ontdekkingen zou doen.

Leest u verder!

Vanaf hier: de tekstgedeelten van columns en boeken.

Geestverschijningen

Skepter Jaargang 13 nr. 3, 2000, pag. 45

Ik zat laatst tv te kijken. Het ging over een geest in een oud Victoriaans huis. Er werd uitgelegd dat de temperatuur in een slaapkamer extreem daalde, teneinde energie vrij te maken voor het ontstaan van de geestverschijning.
Opeens besefte ik, dat dit een opmerkelijke methode opleverde om feiten over geesten te ontdekken. Ik sloeg aan het rekenen.

Het was een vrij grote kamer, in dat oude huis: pakweg 10 bij 6 meter, en 3 meter hoog. Dat is een luchtvolume van 180 m3, en dus, bij een luchtdichtheid van 1,3 kg/m3, een massa van 234 kg.
Laat die massa eens fors afkoelen, bijvoorbeeld 200 °C. Met een soortelijke warmte van 1000 J/kg.K geeft dat een energie-opbrengst van 46,8 megajoule: een fors bedrag, dat beschikbaar is voor de materialisatie van de geest.
Dankzij Einsteins E = mc2 weten we hoe energie omgezet wordt in massa. Die c is de lichtsnelheid, 3 . 108 m/s. Zo is de massa van de geest te berekenen: die komt op
5,2 . 10-10 kg, oftewel 0,52 microgram. Een fascinerend resultaat! Maar er komt nog meer.

Vergelijk de geestmassa eens met die van een levende (pakweg: 65 kg). De massadichtheid van een geest is 1,25 . 1011 maal zo klein. Daaruit volgt dat de gemiddelde afstand tussen de atomen van een geest, vergeleken met een levende, 5000 maal zo groot is (5000 is de derdemachtswortel uit 1,25 . 1011).
Die uitkomst kan echter niet kloppen! Als dat juist was, waren de atomen van een geest gemiddeld een micrometer van elkaar verwijderd, veel te ver om elkaar te voelen. Geesten zouden zo onmiddellijk uit elkaar vallen, en dat kan niet waar zijn.
De werkelijkheid is dus anders. Hoe, dat blijkt uit de volgende berekening.

Stel eens, dat een geest niet massief is, maar slechts bestaat uit een dun vliesje, met een dikte van één molecuul. Dat zou en passant meteen verklaren waarom geesten doorschijnend zijn!
Een volwassen geest heeft een oppervlakte van pakweg 4 m2. De dikte van een monomoleculaire laag is in de orde van een ångström: 10-10 m. Dat maakt, dat het volume van een geest (opgevouwen) 4 . 10-10 m3 is.
Deel de eerder gevonden massa van een geest (5,2 . 10-10 kg) door dit volume, en je hebt de dichtheid: 1,3 kg/m3.

Die waarde is zeer opmerkelijk! Het is exact die van lucht. De lezer zal het met mij eens zijn: dit kan geen toeval zijn. Deze uitkomst vormt een fraaie bevestiging van de gehele berekening.
Blijkbaar bestaat een geest, net als lucht, uit gas. Dat gas neemt bij de materialisatie de vorm aan van een monomoleculair laagje, precies in de vorm van de buitenste laag van een mensenhuid.

Dat is bijzonder. Bedenk immers, dat zelfs bij een levende de buitenste huidlaag altijd dood is! Wat betekent dat? Mogen wij misschien veronderstellen dat de geest van een mens gewoon het buitenste laagje is van zijn opperhuid? Dat lijkt misschien merkwaardig, maar het lost wel direct een eeuwenoud vraagstuk op, namelijk hoe de geest bij het overlijden het lichaam verlaat: hij verdampt eenvoudig.
Dat dat overigens nog nooit experimenteel is aangetoond, is geen wonder: het gaat maar om een minieme hoeveelheid materie.

De berekening maakt duidelijk, waarom geesten zoveel vaker verschijnen in oude Victoriaanse huizen dan in moderne rijtjeswoningen. De slaapkamers in moderne huizen zijn gewoon te klein: de lucht bevat niet genoeg thermische energie om een geest te laten materialiseren.

Merkwaardigerwijs is van dit alles in de oude mythologie al een echo te horen. (Blijkbaar hadden de ouden er op een of andere wijze al weet van.) Het Noorse godenschip Naglfari, gemaakt van de zielen van overledenen, had als grondstof: afgeknipte mensennagels!

Aanbeveling voor verder onderzoek.

Geesten herinneren zich elementen van hun voorbije leven. Daaruit valt af te leiden, dat een gedeelte van het menselijk geheugen wordt opgeslagen in de opperhuid.
Kan dit door nauwgezette anatomische studies aangetoond worden?

 

7 jaren later werd deze column aangehaald in NVOX, 'Tijdschrift voor Science Onderwijs': het periodiek van de NVON, een vereniging die de vakinhoudelijke belangen behartigt van docenten en onderwijsassistenten in biologie, natuurkunde, scheikunde, nlt (natuur, leven en technologie), en techniek & technologie. Het artikel was een aflevering van de rubriek 'Smaakmakers', geschreven door Louis Mathot en Hubert Biezeveld. U ziet het artikel hieronder.

NVOX jaargang 32 nr. 6, juni 2007

Smaakmakers (25)

Spoken bestaan

Wij zijn nog uit de tijd dat je als leraar niet alleen maar moest begeleiden, maar dat je ook een sterk verhaal mocht vertellen. Daarom gaat deze lustrumsmaakmaker niet over mooie proefjes maar over de natuurkunde van spoken.

Louis Mathot / Damstede, Amsterdam en Hubert Biezeveld / OSG West-Friesland, Hoorn

We kennen twee theorieën die iets zinnigs zeggen over de massa van een spook. Volgens de theorie van Wright1 is die massa in de orde van 10-46 kg, terwijl Roorda2 uitkomt op 5,2.10-10 kg. Akkoord, er zitten een paar ordes van grootte tussen, interessant is dat je met redeneren überhaupt tot een waarde kunt komen.

 

Spoken en het tunneleffect

Quantummechanica zit niet in het programma, maar als wij met atomen en hun kernen bezig zijn, kunnen we het niet laten even een zijpad in te slaan naar het tunneleffect. Bij ieder deeltje met impuls p hoort volgens de Broglie een golf met golflengte λb volgens λ.p = h. Als een deeltje opgesloten zit, zijn de knopen uitgesmeerd. Deze theorie geldt uiteraard ook voor spoken. Het kwadraat van de amplitude van de golf geeft de kans aan om een spook ergens aan te treffen en zelfs buiten een afgesloten kamer is die kans niet nul. Hoe dunner de muren zijn (uitgedrukt in λb), hoe groter de kans dat het spook tunnelend de kamer verlaat.

Uit het feit dat wij in onze huizen met grote vensters zelden een spook waarnemen, maar dat ze in kastelen met dikke muren wel worden aangetroffen, volgt dat we een schatting kunnen maken van hun λb. Als we verder de verhalen serieus nemen dat ze langs zweven met een snelheid van ongeveer 0,1 m/s, dan kunnen we ook een schatting maken van hun massa. Reken zelf even na dat we bij λb ≈ 0,1 m een massa vinden die iets kleiner is dan die van het elektron. Wright komt overigens op ongeveer 10-46 kg; dat snappen we niet, maar het doet niets af aan de redenering.

De ontsnappingssnelheid van ongeveer 11 km/s komt voor spoken neer op ongeveer 10-4 eV, ofwel 0,01 van de waarde van thermisch evenwicht. Eenmaal buitenshuis gekomen zullen zij dus een zeer grote kans hebben de aarde te verlaten. Ook zal een spook door zijn geringe massa al gauw last krijgen van relativistische effecten. Er is betrekkelijk weinig energie nodig om zijn snelheid in de buurt te brengen van 70% van de lichtsnelheid. Bij die waarde is de massa verdubbeld en λb gehalveerd, met als gevolg dat zijn opsluiting is verbeterd. Wil je een spook wegjagen, doe dat dan dus niet met geweld of door er met een lamp op te schijnen, want dan wordt λb kleiner en bind je hem alleen maar beter aan je kasteel. Ook begrijpen we nu beter dat spoken met kettingen minder kans hebben om weg te tunnelen.

 

Spoken en E = mc2

Van Niko Roorda hebben we toestemming gekregen om zijn artikel Geestverschijningen in Skepter te plaatsen op de sites. Ook hij legt uit waarom wij in onze doorzon-rijtjeswoningen geen spoken aantreffen, maar in oude Victoriaanse huizen wel. Nu zijn het niet de dikke muren, maar de grote kamers die hem in staat stellen een schatting van de massa te maken. Hij gaat uit van het bekende feit dat een geestverschijning gepaard gaat met een extreme temperatuurverlaging. Uit de energieopbrengst van de lucht in die grote kamers en E = mc2 weet hij de massa te bepalen: 0,52 µg. Dat is 1011 maal zo klein als die van een levend wezen en dat zou betekenen dat de afstand tussen hun atomen veel te groot is voor enige samenhang. Vervolgens beredeneert hij op overtuigende wijze dat spoken dus uit een vliesvormig, monomoleculair omhulsel moeten bestaan. Vandaar hun doorschijnendheid! Als dan hun dichtheid die van lucht blijkt te zijn, kan dat geen toeval meer zijn. Tot slot: aangezien onze opperhuid ook dood is, moet ons buitenste laagje wel haast de zetel zijn van onze ziel.

Noten

1    Wright, D.A. A theory of ghosts. In Weber, R.L., A random walk in science.
      (Ook het vervolg: More random walks in science is nog te koop.)

2    Roorda, N. (2000). Geestverschijningen. Skepter, september 2000.

 

Adressen:

www.stevin.info

www.nvon.nl/oud/nvox

www.skepsis.nl/skepter

juni 2007  NVOX

Homeopathisch verdunnen

Skepter Jaargang 20 nr. 1, 2007, pag. 45

Homeopathisch verdunnen (‘dilutie’) roept discussie op. Het verdunnen kan variëren van D3 (waarbij het geneesmiddel driemaal 1 op 10 wordt vermengd met water, wat 1 op 1000 verdunt), of D6 (1 op een miljoen), tot wel D100.000, waarbij de concentratie van de werkzame stof afneemt met een factor 10100.000. Critici stellen dat bij zo’n verdunning de werkzame stof niet meer aanwezig is. In een medicijndosis van 1022 moleculen zit bij een dilutie D22 gemiddeld één molecuul werkzame stof. Bij verdere verdunning zijn de meeste doses gewoon zuiver water.

Echter, waar het gaat over afzonderlijke moleculen, betreedt men het domein van de kwantummechanica. Daarbij kunnen rare dingen gebeuren, zoals blijkt uit het beroemde gedachtenexperiment van “Schrödingers Kat”.

Volgens de kwantummechanica heeft een systeem dat niet wordt waargenomen ook geen waarneembare eigenschappen. Zolang men bijvoorbeeld een atoom van een radioactief element niet waarneemt, kan men niet zeggen of het al radioactief uiteengevallen is of niet. Het atoom is dan in een superpositie van twee mogelijke toestanden: uiteengevallen en intact.
Stop nu een levende kat in een ondoorzichtig hok. Doe daar een snelwerkend gif bij in een buisje, verbonden met een mechaniekje dat het buisje openbreekt zodra een bepaald radioactief atoom uiteenvalt. Dat geeft een merkwaardige situatie: zolang de kat niet wordt waargenomen, weet niemand of hij al door het gif gedood is. Sterker, in deze door Schrödinger ontworpen testsituatie mag men zelfs niet zeggen of de kat leeft of niet; hij is in een superpositie van een levende en een overleden toestand.

Hetzelfde geldt voor het sterk verdunde medicijn. Bij een dilutie van meer dan D20 mag men niet zeggen dat een medicijndosis géén werkzame stof bevat: de dosis is in een superpositie van een toestand mèt werkzame stof en één zonder. Als een patiënt deze dosis inneemt, verkeert hij - zolang hij niet medisch onderzocht wordt - ook in superpositie, namelijk van een zieke en een genezen toestand!

Verrassend, niet? Het maakt duidelijk waarom verdunnen sterkere medicijnen oplevert: hoe sterker de verdunning, hoe meer kwantummechanisch het systeem is, en hoe meer we over een superpositie spreken van gezond en ziek.
Ook wordt nu duidelijk waardoor de werkzaamheid van homeopathie bij wetenschappelijk onderzoek slecht zichtbaar is. Immers, door een waarneming eindigt de superpositie en komt de patiënt in een zuivere toestand terecht. Het uitvoeren van veel waarnemingen remt de medicijnwerking dus. Om dezelfde reden is homeopathie minder effectief naarmate de behandelende arts deskundiger is.

Hoe komt het dat de superpositie resulteert in een gezonde toestand? Het antwoord is: een mens is naast een fysisch ook een biologisch wezen. De biologie kent het beginsel van ‘survival of the fittest’. Wel, bij de overgang van de kwantummechanische superpositie naar een klassieke situatie is de gezonde patiënt natuurlijk fitter dan de zieke. Ergo: de gezonde patiënt overleeft.

Tot slot: een aanbeveling voor verder onderzoek.

Zou het homeopathische principe ook werken buiten de geneeskunde? Bijvoorbeeld, zou zonnebrand, aangebracht met een dikte van een miljoenste molecuul, een hoge beschermingsfactor bieden? Voedsel, verdund met hoge diluties (D100 en hoger), zal misschien extreem voedzaam zijn: een kans voor de Derde Wereld. Verf op huizen wordt misschien onnodig dik aangebracht; enzovoorts. Wie formuleert het eerste subsidiabele onderzoeksvoorstel?

 

Deze column bleek aanleiding te geven tot een verwarrend debat op het Blog van de vereniging Skepsis. Enkele stukjes ervan zijn hieronder weergegeven.

92 gedachten over “Misvattingen omtrent kwantummechanica"

Skepsis Blog, 2007

Professor N.G. Van Kampen, 30/12/2007

(...) Een beroemd voorbeeld is Schrödingers kat, vermeld en in beeld gebracht in een humoristische column in de Skepter van zomer 2007. (...)
De homeopathie kan niet gered worden door te denken dat een werkzaam molecuul in een macroscopisch vat nog in een kwantummechanisch gesuperponeerde toestand kan verkeren, laat staan dat de behandelde patiënt in zo’n toestand is.

(...)

Mario, 30/12/2007 om 21:54
Wat betreft Schrödingers kat, als ik me goed herinner had Schrödinger nu juist dit voorbeeld bedacht om aan te geven hoe idioot het is om een superpositie op een macroscopisch object als een kat te betrekken. Hij dacht dat iedereen wel zou begrijpen dat een kat absoluut niet tegelijk dood en levend kon zijn. Het schijnt dat hij erg veel spijt heeft gehad het voorbeeld ooit bedacht te hebben door de manier waarop mensen het misbruikten. En inderdaad heb ik in de laatste Skepter een ingezonden brief gelezen waarin in iemand ter verdediging van de homeopathie beweerde dat een patient in een superpositie zou verkeren. Om in de sfeer te blijven, ik denk dat Schrödinger in zijn graf spint bij dit soort beweringen.

Redacteur Jan Willem Nienhuys, 30/12/2007 om 23:24
Die brief in Skepter was de humoristische column van Niko Roorda waar het artikel van Van Kampen naar verwijst! Kennelijk is het luchtige karakter van die column sommigen ontgaan.

Mario, 31/12/2007 om 13:03
Het luchtige karakter van de column was mij inderdaad ontgaan. Het stuk kwam op mij in ieder geval realistisch genoeg over. Ik heb, waarschijnlijk net als u, wel gekkere verdedigingen van pseudo-wetenschap en aanverwante onzin gelezen die doodserieus bedoeld was.

(...)

Niko Roorda, 18/01/2008 om 21:08
Het is fantastisch om te zien hoe een column van mij in Skepter, waarin ik de kwantummechanica opzettelijk grof misbruik (ik ben zelf theoretisch fysicus, ik weet wel beter…) aanleiding kan geven tot een boeiende discussie van meer dan 70 inzendingen. Het feit dat sommige mensen niet doorhadden dat mijn column satirisch bedoeld was (zoals Jan Willem Nienhuys onthulde) beschouw ik als een compliment; kennelijk bevindt deze column zich precies op het punt dat ik als columnist probeerde te vinden, ergens tussen ogenschijnlijk serieus en zichtbaar quatsch. Mijn bedoeling met deze column (en met mijn andere columns in Skepter) was om de spot te drijven met alle quasiwetenschappelijke flauwekul die links en rechts opdoemt (en ongetwijfeld, ondanks het goede werk van Skepsis, altijd zal blijven opdoemen). Ik ben op het idee gebracht door een boeiende beschrijving door Kees de Jager, die de ‘rekenkunde van de piramide’ toepaste in (als ik me goed herinner) zijn eigen huis, en daarmee liet zien dat zijn huis de ganse wereldgeschiedenis herbergt.

(...)

De toekomst van geld

Dr. Niko Roorda, beleidsadviseur & auteur duurzame ontwikkeling en toekomstdenken

Duurzame ontwikkeling gaat niet alleen maar over problemen. Natuurlijk: klimaatverandering, grondstoffenschaarste, armoede, gebrek aan ontwikkeling van mensen en samenlevingen, gebrek aan vrijheid en mensenrechten: dat zijn bij elkaar heel wat problemen. Maar toch is duurzaamheid in de eerste plaats iets anders. Duurzame ontwikkeling is het bouwen aan een prachtige, gezonde toekomst. Voor iedereen, waar ook ter wereld. Duurzame ontwikkeling is hoop, samenwerking, inspiratie, creativiteit.

Dat geldt ook voor duurzaam ondernemen. Voorname aspecten daarvan zijn: betrouwbaarheid, betrokkenheid, transparantie, identiteit, toekomstgerichtheid.

Als het om die toekomstgerichtheid gaat, is creativiteit onmisbaar. Tal van bedrijven die onvoldoende toekomstgericht dachten, niet in staat om 'out-of-the-box' te denken, zijn in zwaar weer terechtgekomen. Denk aan Kodak en Fuji, die 'chemische fotografie' als hun missie en identiteit hadden, en die massaal mensen moesten ontslaan nadat ze te laat doorhadden dat de digitale fotografie in opmars was. Of denk aan de snelwegtankstations, die 'brandstof verkopen' als missie hebben, en nu het nakijken hebben omdat de rechter heeft uitgesproken dat elektriciteit geen brandstof is: weg monopolie!
Lezer, om uw persoonlijke creativiteit te prikkelen wil ik u iets voorleggen over de toekomst van het kernthema van dit tijdschrift: geld. Ik ga, als u het goed vindt, met u samen out-of-the-box denken.

Ooit was 'geld' een simpel begrip. Het bestond uit klinkende munten: goud of zilver. Je kon ze tellen, je droeg ze mee in je zak. Munten maakten plaats voor tegoedbonnen, die we later ‘bankbiljetten’ gingen noemen. Op hun beurt werden die verdrongen door stukjes plastic waaraan je niet eens kunt zien hoeveel ze waard zijn: pinpassen en creditcards, waarmee je meer kunt betalen dan je bezit. Zo werd ‘geld’ steeds abstracter.

Nu zitten we in fase 4, waarin je van alles kunt downloaden. Betaling: bekijken van reclame op je computerscherm.

Stelt u zich eens voor:
“Goedemorgen bakker, mag ik één meergranen tarwe?”
“Jazeker meneer. Print u het zelf thuis uit? Dat is dan vijf minuten reclame. Ik heb een leuk nieuw filmpje. Gaat u zitten!”
“Fijn!”
Absurd? Misschien. Ik wil u vragen om dit heel even serieus te nemen. Eventjes lekker out-of-the-box denken.

Geachte belastingdeskundige: als het zover komt, hoe denkt u dat de overheid dan belasting gaat innen? Beste jurist: hoe definieert u dan belastingfraude? Hoe gaat u dat meten? Accountants, hoe denkt u dat een accountantsrapport er dan uitziet?

Ik beweer niet dat ik nu accuraat de toekomst voorspeld heb - de toekomst pakt sowieso altijd totaal anders uit dan je van tevoren kunt bedenken. Juist daarom: als u goed kunt omgaan met absurde, onwaarschijnlijke toekomstscenario's, dan bent u misschien ook in staat om goed om te gaan met de werkelijke toekomst. Die beslist anders zal zijn dan u nu denkt.

Over accountantsrapporten gesproken: ze gaan nu al steeds meer over transparantie en betrouwbaarheid. Ze zullen in de komende jaren steeds vaker gaan over toekomstgerichtheid, en zelfs over de inspiratie, de missie en de creativiteit van bedrijven. Bent u er klaar voor?

Bouwpakket voor een Wereldbeeld: het filosofische boek waaraan Roorda schrijft. Hieronder ziet u enkele gedeelten.

Uit hoofdstuk 1: Zuigen

12. De Twee Wetten van Behoud van Dingen

Drie-eenheid, God, dat is allemaal nog veel te vroeg. Ik was nog maar een peutertje, en hield me met zulke gewijde onderwerpen nog helemaal niet bezig.

Weet u wat ik ontdekte, in die tijd? ‘Ding’. Of ‘object’, als u wilt. Dat was een prachtig verklaringsbeginsel! Het bleek namelijk, dat je de wereld kon opknippen in losse, afzonderlijke stukken. Gaandeweg kregen die zelfs allemaal eigen woorden. ‘Ma’ bijvoorbeeld, dat was dat grote gele ding aan de hemel. ‘Ma’ was ook dat ding met de zuigdingen. ‘Boe’ was alles wat volgens ‘Ma’ ‘boe’ zei, dat wil zeggen, alles wat poten had en rondrende. (Later leerde ik dat wielen geen poten zijn, met andere woorden, dat auto’s geen koeien zijn.) ‘Ha’ waren die dingen die in de wieg boven mij zweefden en die ik op den duur leerde besturen.

Ik wandelde ontspannen door het park. Michiel zat in de kinderwagen en wees lantaarnpalen aan, die ‘bah’ heetten (een afkorting van ‘paal’) en bomen, ‘boh’.

Ineens wees Michiel omhoog, in de lucht, en zei ‘ma!’. Ik keek op en jawel, daar hing inderdaad een smalle, bleke maan, al ruimschoots voorbij zijn laatste kwartier. De maan was nauwelijks zichtbaar, want hij stak bijna niet af tegen de blauwe lucht. Michiel vond ‘m prachtig, en hij raakte er niet over uitgepraat. Het was dan ook heel knap van hem: hij had de maan nog nooit in het echt gezien, alleen op plaatjes in een paar boekjes.

We waren nog niet lang binnen, toen Michiel me bij de hand pakte en me naar de voordeur trok, ‘ma! ma!’ roepend. We gingen naar buiten en bekeken de maan opnieuw.

Binnen tekende ik op een groot vel papier de omtrekken van een maan. Halverwege het inkleuren daarvan pakte Michiel me het krijtje uit de hand en begon zelf in te kleuren, op zijn manier.

Nog vele malen die ochtend zijn we de maan gaan bekijken, steeds op zijn aandrang.

De volgende ochtend was zijn moeder als eerste uit bed, met hem samen. Zodra ze beneden waren trok hij haar aan haar hand mee naar buiten, terwijl hij ‘ma! ma!’ riep, hoewel zij niets over de maan had gezegd. Ook die ochtend heeft hij de maan talloze keren bewonderd.

Boekje van Michiel, 10 oktober 1993: Michiel, 1¼ jaar oud. Genotuleerd door mij.

Na verloop van tijd, toen ik het ding ‘ik’ uitgevonden had (een jaartje of wat voordat ik ook het woord ‘ik’ leerde gebruiken), kwam ik tot de conclusie dat je de wereld kon indelen in twee soorten dingen: dingen die tot ‘ik’ behoorden, zoals ‘ha’ en ‘voe’, en dingen die dat niet deden, zoals ‘ma’ en ‘ma’. Het werd steeds overzichtelijker!

Nou ja, en daarna kwam er een spannende onderzoeksfase waarin ik probeerde te ontdekken of al die ‘dingen’ konden verdwijnen, en zo ja, of ze dan ooit nog weer terugkwamen.

Mamma ging weg. En kwam weer terug. Ging weer. Kwam terug. Keer op keer! Dat geeft een mens vertrouwen.
In de nachten kwam het duister. Niets was nog zichtbaar. Zou het allemaal weg zijn… en zelfs weg blijven? Huilen van angst.
Iemand legde een zakdoek over mijn bal. Bal weg! Of over mijn hoofd. Alles weg! Ongerustheid. Zou het…?

Pappa:      Kiekeboe! (trekt zakdoek weg.)
Michiel:    (schaterlach van opluchting)

Pappa:      Kiekeboe! (trekt zakdoek weg.)
Michiel:    (schaterlach van opluchting)

Pappa:      Kiekeboe! (enz.)

1993: Dialogen met mijn zoon, 1 jaar oud (hij). Genotuleerd door mij.

Al die spannende experimenten leidden ruwweg rond mijn eerste verjaardag tot een nieuw verklaringsbeginsel: behoud. Met twee eigen natuurwetten.

De Eerste Wet van Behoud van Dingen:

    Dat wat is, blijft.

De Tweede Wet van Behoud van Dingen:

    En als het even weg is, komt het terug.

Dát geeft nog eens zekerheid!

Zestien jaren na mijn eerste verjaardag, toen ik sterrenkunde en theoretische natuurkunde studeerde, ontdekte ik dat wij natuurkundigen precies hetzelfde doen, namelijk: zekerheden ontlenen aan behoudswetten. De wet van behoud van energie bijvoorbeeld. Die kennen veel mensen zelfs van de middelbare school. Daarnaast heb je de wet van behoud van impuls, die van behoud van impulsmoment, van elektrische lading, van baryongetal, van vreemdheid (echt waar) en nog veel meer. Dat wat is, blijft. Vet!

Geloof het of niet: zelfs die behoudswet nummer 2, over de onzekerheid en angst van ‘als het even weg is’, is door de natuurkundigen overgenomen. Het heet daar: de onzekerheidsrelaties van Heisenberg. Ook wij natuurkundigen weten diep in ons hart, zelfs als de wet van behoud van energie even hapert (want dat doet-ie zo nu en dan): het komt weer goed.

Ook hier kun je zien dat peuters feitelijk precies hetzelfde doen als wetenschappelijk onderzoekers. Op dat ene dingetje na, maar daar kom ik zo op, had ik u beloofd.

Aan natuurwetten zoals het behoud van energie was ik natuurlijk nog lang niet aan toe toen ik 1 was. Maar de eerste behoudswetten had ik te pakken, en dat was een grote ontdekking. Deskundigen (zoals ontwikkelingspsycholoog Jean Piaget) noemen dit verschijnsel objectpermanentie, en het is iets dat iedere peuter op een gegeven moment ontdekt: u hebt het ook gedaan.

 Tegen de tijd dat objectpermanentie zich in mijn hoofd nestelde, verscheen het ene na het andere nieuwe verklaringsbeginsel in datzelfde hoofd. Ook het aantal begrippen dat ik ontdekte nam snel toe. Ik kwam lekker op gang, net als mijn zoon een generatie later.

 

13. De Wet van de Gelijkenis

Een prachtig beginsel, zo ontdekte ik, was verwantschap. Daar kon je heel veel mee! Het bleek namelijk, dat bepaalde objecten iets met elkaar te maken hadden. Zo vertelde ik u al dat sommige dingen, handen bijvoorbeeld, verwant waren aan ‘ik’. En ook dat twee borsten, twee handen en een gezicht aan elkaar verwant waren. Ze hoorden bij elkaar! Waar de handen gingen, gingen ook de borsten en het gezicht – min of meer, met een verschil van maximaal een meter of zo. Samen ben ik ze later ‘Mamma’ gaan noemen.

Mamma en Pappa lijken op elkaar: eveneens een soort verwantschap, maar dan weer anders. Ik ben ze op een gegeven moment allebei ‘mensen’ gaan noemen, ook al zo’n behulpzaam nieuw begrip, vooral toen ik vervolgens ontdekte dat ik zelf ook tot die categorie behoorde. Zo’n gelijkenis is een bijzondere en hoogst interessante vorm van verwantschap. Met een eigen natuurwet.

De Wet van de Gelijkenis:

    Dingen die op elkaar lijken doen dingen die op elkaar lijken.

Bijvoorbeeld: als twee dingen allebei borsten zijn, geven ze allebei melk. Als twee dingen allebei handen zijn, kunnen ze allebei aaien. Erg goed om te weten, geeft een hoop inzicht in hoe de wereld werkt.

Ook dit machtige principe, gelijkenis, wordt intensief door wetenschappers benut. Door biologen bijvoorbeeld, die er hun gevierde verklaringsbeginsel ‘evolutie’ op baseren: soorten die op elkaar lijken zijn verwant aan elkaar. Vermoedelijk dan, want dat principe kent een aantal lelijke instinkers, dus dat is nog uitkijken. Kent u de walvis?

Oh, en weet u wat ook een geweldig verklaringsbeginsel bleek te zijn? Tegendelen! Daar kun je ongelooflijk veel mee begrijpen. Tegenover boven staat onder. Tegenover huilen staat lachen. Lief – stout. Beloning – straf. Wel – niet. Links – rechts. Ik – rest van de wereld. Jongens – meisjes.

Ja, als je het idee van de tegendelen eenmaal te pakken hebt, zie je het overal om je heen.
Yang – yin. Plus – min.
Voor – achter. Voor – na. Voor – tegen.
Noord – zuid. Zwart – wit. Arm – rijk. Vriend – vijand. Wij – zij.

‘Tegendeel’ is zelf ook een tegendeel. Van verwantschap. Verwantschap vertelt je hoe dingen bij elkaar horen, tegendelen vertellen je hoe ze dat juist niet doen.

‘Tegendeel’ is bovendien een verwantschap. Een soort spiegelbeeldige verwantschap: vóór is net zoiets als áchter, maar dan andersom.

 

14. Tijd en oorzaak

Veel van mijn kinderlijke natuurwetten hadden, ik zei het u al, de vorm van alsdan. Dat betekent dus, dat er eerst iets gebeurde, en dat er daarna iets anders gebeurde, op zo’n manier dat daar een vast patroon in zat.  Dat principe leidde uiteindelijk tot een van de meest succesvolle verklaringsbeginselen van allemaal: causaliteit. Oorzaak en gevolg.

Het woord ‘causaliteit’ ben ik natuurlijk pas jaren later gaan gebruiken. (Cause = oorzaak, in het Engels.) Maar het idee ‘oorzaak’ was er al vroeg. Dat ontwikkelde zich op een heel natuurlijke manier. Het alsdan-begrip leidde tot de ontdekking van ketens van gebeurtenissen, bijvoorbeeld de keten die ik al noemde:

Als dorst dan huilen dan zuigdingen dan lachen.

Het kon natuurlijk niet uitblijven dat ik daar een idee van tijd uit afleidde. Dat is geen kleinigheid: in de theoretische natuurkunde hanteren we tijd als een van de allerbelangrijkste verklaringsbeginselen, hoewel we niet echt precies weten wat dat is. Dat geldt ook voor anderen. Een van de grondleggers van de katholieke kerk zei ooit:  ‘Ik weet prima wat tijd is, behalve als ik het je moet uitleggen.’ Dat is een prachtige manier om een verklaringsbeginsel te beschrijven.

Wat is dan de tijd? Wanneer niemand het mij vraagt, weet ik het; wanneer ik het iemand, op zijn vraag, zou willen uitleggen, weet ik het niet. Augustinus van Hippo: Belijdenissen, Boek 11, hoofdstuk 14, 400.

Tijd is een rivier, een woeste stroom van alles wat gebeurt. Keizer Marcus Aurelius, 180

Tijd is een rivier die mij voortsleept, maar ik ben de rivier. Jorge Luis Borges, 1952

Tijd is een spel, dat prachtig door kinderen wordt gespeeld. Herakleitos, ca. 500 v. Chr.

Tijd is wat voorkómt dat alles tegelijk gebeurt. Ray Cummings, 1922

Tijd is een reisgenoot die ons eraan herinnert om ieder ogenblik te koesteren. Kapitein Jean-Luc Picard, Star Trek, 1994

Tijd is de beste medicijn. Ovidius, 1

Tijd is de beste leraar. Helaas doodt hij al zijn leerlingen. Hector Berlioz, 1856

Tijd is geld. Benjamin Franklin, 1748

Tijd is geldverspilling. Oscar Wilde, 1894

Tijd is een zwarte vogel gevangen in een rood glas wijn. Ben Cami, Vlaams dichter (1920-2004)

Tijd was in het begin voor mij vooral zoiets als het verschil tussen ‘nu’ en ‘straks’. ‘Als je nu je groente opeet, krijg je straks een toetje!’

Maar hoe ouder je wordt, hoe meer verleden je verzamelt. Dus op een gegeven moment evolueerde dat eerste tijdsbegrip tot de keten vroegernulater. En hoe meer dat gebeurde, hoe meer het opviel dat gebeurtenissen in vaste volgordes optreden. En zo ontstond vanzelf de constatering: het eerdere veroorzaakt het latere.

Aanvankelijk leken alleen bepaalde dingen een oorzaak te hebben. Maar het grappige is, dat ik het oorzaak-idee intuïtief ben gaan uitbreiden tot: alles wat gebeurt heeft een oorzaak. Natuurwet: zonder oorzaak kan niets gebeuren.

Toen ik als tiener boeken over het heelal verslond, kostte het me dan ook even moeite om te ontdekken dat die gedachte (niets gebeurt zonder oorzaak) niet altijd hoeft op te gaan. Ik kom daar verderop op terug.

Op deze plaats merk ik alleen op dat ik met mijn iets te ijverig toegepaste verklaringsbeginsel ‘oorzaak’ een onterechte generalisatie maakte.

Een eh…

Uit hoofdstuk 2: Magische gedachten

31. Gelijkende gebeurtenissen

Verwantschap of gelijkenis bestaat niet alleen tussen dingen. Je kunt ze ook vinden als je gebeurtenissen vergelijkt. Ook dat leidt tot interessante magische overtuigingen.

Zo lag ik een tijdje geleden ’s avonds in bed een cryptogram op te lossen. Dat doe ik graag, het helpt me om in slaap te vallen, omdat je je bij zo’n puzzel niet moet concentreren maar je geest juist ruim moet laten dwalen om oplossingen te vinden.

10 horizontaal:

Een verbinding naar de site van Sanquin is vol risico. (9)

Bron: Cryptotaal, 5 stippen cryptogrammenperiodiek. Jan Meulendijks (red.), Denksport, november 2014. Door mij opgelost, liggend in bed met een schemerlampje aan, op de late avond van 22 november 2014. Misschien was het zelfs al de vroege ochtend van 23 november.

Hoe Sanquin de Amerikaanse markt probeert te veroveren
Maar al te graag wil de stichting Sanquin Bloedvoorziening de Amerikaanse markt op. Maar daar wachten de lusten én de lasten. Het kost miljoenen om de Amerikanen tevreden te stellen.

Volkskrant, ochtend van 23 november 2014. Door mij gelezen tijdens het ontbijt. Met zo’n felle daglichtlamp aan om wakker te worden.

Nu had ik nog nooit van Sanquin gehoord, dus het cryptogram verschafte mij een lastige opgave. Maar ik vond eerst een paar dwarsletters, realiseerde me toen dat de Frans klinkende naam Sanquin associaties met bloed opriep (naar het Franse sang, bloed dus), en vond uiteindelijk de oplossing. Wilt u hem weten (spoiler alert!): het was bloedlink.

De volgende morgen las ik het ochtendblad en trof daar een paginagroot artikel over de bloedleverancier Sanquin aan.

Hee, was dát even toevallig! Binnen acht uren kwam ik langs twee totaal verschillende wegen hetzelfde woord tegen, terwijl ik het daarvoor nog nooit van mijn leven had gezien. Dat moest wel een diepere betekenis hebben, het kon niet anders.

Hebt u dat ook wel eens gehad? Vast wel, en toen hebt u waarschijnlijk ook ‘Hee!’ geroepen, al dan niet hardop, of iets vergelijkbaars. Bijna iedereen komt zo nu en dan zulke merkwaardige toevalligheden tegen.

De verleiding is dan groot om te vermoeden dat er méér achter zit. ‘Het toeval bestaat niet’, zo heet het dan, of: ‘Niets is toevallig’.

De bekende psycholoog Carl Gustav Jung bedacht er zelfs een naam voor: synchroniciteit, het samen optreden van vergelijkbare gebeurtenissen op een betekenisvolle manier. Zoals causaliteit een verklaringsbeginsel is voor wat na elkaar plaatsvindt, zo is synchroniciteit een even goed verklaringsbeginsel voor wat naast elkaar gebeurt, aldus Jung.

Zinvolle coïncidenties zijn denkbaar als zuivere toevalligheden. Maar naarmate hun aantal toeneemt en de overeenkomst groter en nauwkeuriger is, wordt het steeds minder waarschijnlijk en meer ondenkbaar dat hier sprake is van toeval. Dat wil zeggen: ze kunnen niet meer voor zuiver toeval doorgaan, maar moeten bij gebrek aan causale verklaringen als ordeningen volgens een bepaald plan opgevat worden.

Carl Gustav Jung: Brief aan de fysicus Wolfgang Pauli.

Op zichzelf hebben Jung en zijn aanhangers gelijk: synchroniciteit is als verklaringsbeginsel in principe niet beter of slechter dan causaliteit, als je de wereld wilt vangen in een wereldbeeld. Beide zijn toepassingen van het magische beginsel van de gelijkenis. Wanneer je gretiggelovig bent, dan omarm je de beide principes met evenveel enthousiasme.

Ben je wat minder gretiggelovig, dan bekruipt je de neiging om een kritische vraag te stellen. Is het wel zo dat betekenisvolle toevalligheden vaker voorkomen dan de statistiek aannemelijk maakt? Met andere woorden: is synchroniciteit nodig als verklaringsbeginsel, of hoeft er helemaal niets verklaard te worden?

Ik wil dat onderzoeken met wat hulp van mijn tuinkikker. Er woont namelijk al een aantal jaren een kikker in mijn tuin. Een echte, een levende. Ik zie hem niet vaak, maar soms – zo eens in de paar maanden – hipt hij over het tuinpad of slaat hij op de vlucht als ik de tuin besproei. In de zomer hoor ik hem ’s avonds laat vaak scharrelen in de struiken, heel gezellig.

Nu heb ik een klein terrasje in mijn tuin, van 20 bij 21 tegels. Om de betekenis van het toeval te onderzoeken, stelde ik mij het volgende voor. Laat mijn tuin eens uitsluitend uit dat terrasje bestaan, met hoge muren of schuttingen eromheen. En dan had ik niet één maar wel tien kikkers op dat terrasje. Nergens een plekje om je te verstoppen, alle tien kikkers goed zichtbaar. En die kikkers, die springen elk één keer per minuut precies tegelijk hoog op, om daarna op een volstrekt willekeurige tegel te landen. Nooit op de naadjes, altijd netjes binnen de randen van een tegel – zoals ik als kind ook graag deed (en nu nog wel, beken ik). Kikkers met een bescheiden OCS dus, een obsessieve-compulsieve stoornis (DSM-V 300.3 / F42).

Tien dwangmatige kikkers op 420 tegels, die elke minuut een willekeurige nieuwe tegel opzoeken. Hoe lang zou het duren voordat twee kikkers toevallig op dezelfde tegel landen?

Wel, om eerlijk te zijn: dat kán natuurlijk al direct in de eerste minuut zijn, waarom niet. Maar die kans is vrij klein. Ik zal u niet lastigvallen met hoe je dat uitrekent: als u een statisticus bent kunt u het zelf, en anders vindt u dat wellicht vrij saai. De kans dat alle kikkers in de eerste minuut ieder op een eigen tegel landen is 90% (om preciezer te zijn: 89,766%), en dus is de kans op minstens één toevallige ontmoeting 10%. Per minuut, niet alleen in de eerste minuut maar ook in elke volgende.

En als je nu eens langer wacht? Na twee minuten is de kans op geen enkele ontmoeting 90% van 90%, dat is 81%, en de kans op wél minstens een ontmoeting dus 19%. Na zes minuten is het ongeveer fifty-fifty. Iets nauwkeuriger: de kans op minstens één ontmoeting (in al die 6 minuten) is 47,7%. Na 21 minuten is het tamelijk onwaarschijnlijk geworden dat er nog altijd geen ontmoeting is, namelijk nog maar 10%. En na een uur is die kans geslonken tot 0,15%. Hoogstwaarschijnlijk zijn er dan dus wel al kikkers bij elkaar op visite geweest, al weet je dat van tevoren nóóit helemaal zeker, zelfs niet als je een vol jaar wacht.

Maar één ding staat vast: als je bereid bent om desnoods tot in de eeuwigheid te blijven kijken, gaat het een keer gebeuren.

Nou vooruit. Als u het toch graag wilt weten: dit is de toverspreuk om de kans op minstens één ontmoeting vast te leggen. Wilt u dit niet weten: sla het gerust over.

 

 

Kies daarbij N = 420 tegels, k = 10 kikkers, en t = het aantal minuten dat je zit te wachten.

In een (Engelstalig) Excel spreadsheet typt u deze bezwering als volgt in:

         = 1-Power(Combin(N;k)*Fact(k)/Power(N;k);t)

waarbij u de cellen die N, k en t bevatten ook die namen moet geven. Geef deze cellen de waarden 420, 10 en een tijd die u kiest, en u krijgt direct de getallen die ik u gaf.

Tijdens dat kikkerspel hebben u en ik samen goed op zitten letten. En op een gegeven moment: jawel hoor, we zien een kikker die precies op een tegel landt waar zojuist, een halve seconde eerder, een soortgenoot is terechtgekomen. Wat denkt u dat die kikker nu zegt?

 

32. De Wet van Mij

‘Kwaaak!’ natuurlijk. Kikkers kunnen helemaal niet praten.

Nou ja, maar als kikkers nu eens wel konden praten?
Dan hoorde je vermoedelijk zoiets als:
‘Hee hallo, wat leuk! Dag Bep, jij ook hier? Dát is toevallig!’

En als Bep haar bezoeker, die een mannetjeskikker is en Frans heet, dan een hartelijke welkomstzoen geeft met haar lange, kleverige kikkertong, dan verandert Frans subiet in een prins – tenslotte is dit een hoofdstuk over toveren. Frans d’n Eerste. Een kikkerprins weliswaar, dus daar zie je van buiten niets van.

‘Dat is toevallig’, aldus een van de betrokkenen. Is dat nu zo? Ja, voor Frans wel natuurlijk. En voor Bep. Maar voor ons niet, voor u en mij. Wij wisten dat het er een keer van moest komen. Als je maar lang genoeg wacht. Dat het nu net Frans en Bep zijn die het overkomt: best hoor, het hadden wat ons betreft ook Mo en Denise kunnen zijn, drie tegels verderop.

Maar Frans? Dat is een denkertje. Die legt zich er niet bij neer. Kort geleden heeft hij wat in de verzamelde werken van Carl Gustav Jung zitten lezen, en hij fluistert kwakend: ‘Nee hoor, dit kan geen toeval zijn. Zie je wel? Synchroniciteit. Dit betekent iets.’

Lieve lezer, zijn wij niet allemáál kikkers op een tegelterras? Springen wij ook niet, minstens één keer per minuut, hoog op om daarna verwonderd te ontdekken waar we nú weer geland zijn?

Nee natuurlijk. We zijn mensen en we hebben wel wat beters te doen.

Maar in één opzicht klopt de vergelijking wel. Het kan niet anders: ook wij maken natuurlijk wel eens dingen mee die erg toevallig zijn. Voor ons, dan. Een mensenleven bestaat uit een aaneenrijging van miljoenen gebeurtenissen. Als daarbij nooit eens iets toevalligs gebeurde, zou dat wel verdomd toevallig zijn. Anders zouden alle dingen die je in je leven meemaakt precies gladjes langs elkaar heen bewegen zonder elkaar ooit te treffen, als kikkers die op mysterieuze wijze altijd maar weer op een tegel landen waar nog geen andere kikker zit. Dat zou, naarmate je ouder wordt, steeds merkwaardiger worden.

Twee keer Sanquin binnen acht uren? Nou én? Gewoon twee kikkers op één tegel.

Waar komt dan toch die magische gedachte vandaan, dat toevalligheden betekenis moeten hebben? Van twee dingen.

Om te beginnen: toen wij – u en ik – samen naar de kikkers op mijn terrasje stonden te staren, keken we van bovenaf. Als buitenstaanders. Romanschrijvers noemen dat het god-perspectief. Wij zagen alles, wij wisten alles. Wij zagen hoe de meeste kikkers in hun eentje op een tegel landden en dan een minuut wazig voor zich uit zaten te kwaken. Ook zagen we zo nu en dan kikkers die elkaar ontmoetten en dan aangenaam verrast waren. Wij niet, want zulke ontmoetingen waren op den duur onvermijdelijk, zo begrepen we.

Het is dus een kwestie van perspectief: het kikker-perspectief tegenover het god-perspectief. Zit je er als kikker middenin, dan is alles wat je overkomt betekenisvol en bijzonder. Kijk je van buiten, dan is het allemaal heel gewoon.

Ieder mens bekijkt de wereld vanuit zijn of haar eigen ogen. Door de ogen van een ander kijken kunnen we nu eenmaal niet. Ja, we komen een aardig eind, met tv-camera’s, met rollenspellen, met speelfilms en first-person shooters en zo meer. Maar zelfs dan beoordeel je alles wat je ziet met jouw brein. Jouw referentiekader, jouw herinneringen, voorkeuren en angsten. Ieder beoordeelt de wereld vanuit een egocentrisch standpunt: met jou in het midden.
Daar is op zichzelf niets mis mee, hoor. Egocentrisch is niet hetzelfde als egoïstisch. Het betekent alleen dat je jezelf als maatstaf neemt van alle dingen – eenvoudig omdat je niet anders kunt.

Weet u nog de Wet van het Antropomorfisme? Elk ding is een beetje mens. Zo kijken we tegen de dingen aan, aangezien we zelf mensen zijn. Op die manier kunnen we enigszins snappen hoe alles in elkaar zit.
Achter die wet zit nog een andere, diepere wet. In feite is het: Elk ding is een beetje mij.
Of op zijn minst is alles wat er gebeurt, iets dat met mij te maken heeft.

Lopen we over straat: iedereen kijkt naar mij (denken we). Hoe zie ik er uit?
Wordt er op een feestje gelachen? Ze lachen vast om mij.
Waarom heb ik dat nou altijd?
Ik ben een geluksvogel.
Jezus houdt van mij.
Iedereen moet mij aardig vinden.
Ik heb ook altijd pech…

De Wet van Mij:

    Alles gaat over mij.

Natuurlijk: het zijn allemaal primitieve gedachten. Kindergedachten, of op zijn best puberale gedachten. Voor baby’s is het woordenloos vanzelfsprekend dat alles over hen gaat, ze zijn niet eens in staat om het anders te bezien: hun wereld bestaat uit handen, voeten, rammelaars en borsten, meer is er niet. Dat is waarom ik in het vorige hoofdstuk mijzelf als baby liet denken: Ik ben god. Daar groei je overheen, althans de meesten van ons.

Maar er zijn heel wat volwassenen die dit soort cognities hun hele leven koesteren. ‘Ik heb ook altijd pech’. ‘Iedereen kijkt naar mij.’ Een klein beetje, op zijn minst. Denkt u zoiets wel eens? Ik wel, soms, tegen beter weten in.

In de loop van je jeugd ontdek je dat niet alles in de wereld over jou gaat. Dat er miljarden mensen zijn, elk met hun eigen levensverhaal, iedereen startend vanuit een egocentrisch standpunt. Het doet even pijn om daar afstand van te doen. Ik ben niet heel bijzonder. Ik ben er één van velen.

Wat het volwassen worden met afzonderlijke mensen doet, dat heeft de wetenschap gedaan met de mensheid als geheel. Ooit dachten we dat de mens de meest bijzondere creatie was van één of meer goden. Dat onze planeet het middelpunt van de kosmos was, waar de zon, de maan, de planeten en de vaste sterren in cirkels omheen draaien. De Hemelse Sferen.

Maar u kent het verhaal. Copernicus was een van de eersten in West-Europa die het antropocentrische wereldbeeld verknoeiden. Maar hij liet ons althans nog denken dat onze zon in het midden van het universum staat. Later kwamen er flauwe sterrenkundigen die ons vertelden dat onze zon er één is van zo’n honderdmiljard sterren die samen ons melkwegstelsel vormen. Een gigantisch eiland in het heelal, waarin onze zon een tamelijk gewoon, vrij klein sterretje in een buitenwijk is, een soort Vinex-locatie, en waarin vermoedelijk miljoenen planeten krioelen van leven, misschien wel intelligent leven, net als wij. En dat ons melkwegstelsel er één van vele is, die met z’n allen door de bijna lege ruimte zwerven van ons universum. Een universum dat op zijn beurt misschien zelfs behoort tot een multiversum met oneindig veel heelallen. Niks middelpunt! Er is geen middelpunt, nergens.

Wie ben jij dan nog?

Gelukkig gebeuren er zo nu en dan dingen die wel érg toevallig zijn. Heb je blijkbaar toch nog een soort bijzondere status. In relatie tot het Noodlot. Gaat het allemaal toch nog een beetje over mij.

 

33. Gretiggelovig

Wat je niet ziet, dat zie je niet. Ik zei u al dat er twee redenen zijn waarom wij betekenis hechten aan toevallige gebeurtenissen, en dit is de tweede.

Neem nu kikker Frans. Het was misschien tijdens zijn honderdtwintigste sprong dat hij tot zijn genoegen op kikster Bep stuitte. Dat vond hij heel toevallig, maar daarbij vergat hij gemakkelijk dat hij in de voorafgaande honderdnegentien sprongen op een lege tegel landde. Hij had natuurlijk bij elk daarvan kunnen denken: Wat toevallig, dat ik op een lege tegel kom. Maar dat doe je niet! Een lege tegel is een non-event, een ongebeurtenis. Daar sta je niet bij stil, je gaat door totdat er wél iets gebeurt. Zolang er niets gebeurt is er niets te zien. En wat je niet ziet, dat zie je niet.

Ook onze mensenlevens zijn vol met lege tegels. Met ongebeurtenissen. Neem nu Sanquin. Toen ik die naam binnen acht uren tweemaal tegenkwam, wist ik zeker dat ik die naam nog nooit eerder gezien had. Maar hoe wist ik dat zo zeker? Het kan heel goed zijn dat ik de naam al eerder gezien had, misschien al wel tien keer. Zo’n beetje oppervlakkig, op de tv of in een krant. Omdat het niets voor mij betekende, heb ik er niet op gelet. Maar door het cryptogram werd ik gedwongen om mij in de naam te verdiepen, en toen ik het woord de volgende morgen in de krant zag, was het opeens een gebeurtenis geworden.

Als dat zo is – en dat kan ik niet nagaan – dan wordt het toeval van die ochtend opeens een stukje minder sensationeel. Gewoon de elfde keer dat ik het woord in de krant zag, alleen had ik er deze keer de vorige avond al iets mee gedaan.

Gekleurde waarneming dus. Gekleurd door mijn aandacht. In de psychologie heet dat een aandachtsbias, wat een gruwelijke verkleving is van een Nederlands en een Engels woord. Bias: een vooringenomenheid als gevolg van de dingen waar ik op let.

De beroemde Wet van Murphy is ook zo’n voorbeeld van een aandachtsbias. ‘Alles wat fout kan gaan, gaat fout.’ Ook bij mij, want net als iedereen let ik alleen op wat fout gaat en niet op alle keren dat iets gewoon volgens verwachting gaat: dat zijn ongebeurtenissen, daar besteed je geen aandacht aan.

Bias, vooringenomenheid dus, is een van de voornaamste oorzaken van magisch denken. Een beroemde bias is de bevestigingsbias. Die houdt in dat je eerder gebeurtenissen opmerkt die je vooroordelen versterken dan gebeurtenissen die daar tegenin gaan. Die zie je liever niet: ze maken je maar onzeker. Weet u nog van mijn allereerste natuurwetten, toen ik nog een baby was? Als gillen, dan borsten, bijvoorbeeld. Die wet ging niet altijd op. Maar dat versterkte mijn geloof in die wet alleen maar. Ik besteedde immers veel meer aandacht aan de keren dat de wet klopte dan wanneer dat niet zo was.

Op dezelfde manier: afkloppen. U weet wel: als je per ongeluk iets zegt dat ongunstig zou kunnen uitpakken (juist doordat je het zegt: een prachtige magische gedachte: het is het lot uitdagen…), moet je het afkloppen op blank hout. Pas op: beschilderd of gelakt hout werkt niet! Daar worden helaas veel fouten mee gemaakt.

Waarom past bijna iedereen dit magisch ritueel toe? Omdat het echt werkt, kijk maar: iedere keer als het goed afloopt wordt de kracht van het rituele afkloppen bevestigd. Loopt het een keer fout af: nou ja, geen enkele natuurwet is volmaakt. Of: ik heb niet goed genoeg afgeklopt, het lag aan mij. Niet aan de wet.

Al met al heb ik daarmee de voornaamste ingrediënten genoemd die samen de basis vormen van het magisch denken.

Z:      Snakken naar Zekerheid = slecht verborgen angst.

E:      Egocentrisch standpunt = Je kijkt nu eenmaal altijd uit je eigen ogen.

B1:    Aandachtsbias = De dingen die je ziet, zie je beter dan de dingen die je niet ziet.

B2:    Bevestigingsbias = Je ziet liefst dat alles klopt.

K:      Kritische houding = Je gelooft niet zomaar alles, eerst effe checken.

                  Z + E + 2BK = GG.

GG:   Gretiggelovig.

Gewoon een beetje wiskunde. Deze formule is de basis van het magisch denken.

 

Uit hoofdstuk 4, Verklaren

62. De Wetten van de Eenvoud

Op mijn salontafel, midden in mijn woonkamer, staat een kabouter. Hij is groen en ongeveer zestig centimeter hoog. Hij grijnst naar me vanuit zijn baard.

Niet dat ik dat kan zien! Hij is namelijk onzichtbaar. Onhoorbaar ook, want hij beweegt geluidloos en zegt geen woord. Als ik hem probeer te pakken of zelfs maar te voelen, beweegt hij soepel opzij of naar achteren en vermijdt zo iedere aanraking.

Verder doet hij niet veel. Hij drinkt niet van mijn bier. Hij blaast mijn kaarsen niet uit, hij slaat de bladzijden van mijn boek niet om, hij kietelt me niet. Kortom, er is geen enkele manier waarop ik kan constateren dat hij er is.

Waarom denk ik dan toch dat hij daar staat? Omdat ik dat geloof.

Nee, ik kan niet bewijzen dat mijn kabouter bestaat. Dat is waar. Maar haha! U kunt ook niet bewijzen dat hij niet bestaat.
Ga maar na: is mijn geloof strijdig met de waarneming? Welnee. Hij is immers niet waar te nemen!
Is mijn geloof dan misschien strijdig met de logica? Ik dacht het niet. Kunt u één logische reden noemen waarom de Groene Kabouter niet op mijn salontafel staat? Hij heet trouwens Farzimul, had ik u dat al verteld? Hij is hoogintelligent.

De hedendaagse sterrenkundigen geloven in donkere materie. Dat is materie die nog nooit door iemand gezien is. Die je ook helemaal niet kunt zien: het spul is donker. Je kunt het ook niet horen of ruiken of proeven. Ik heb het niet over zwarte gaten, begrijp me niet verkeerd. Ik heb het over een materiaal waarvan niemand een idee heeft wat het is. Maar het moet er zijn, aldus de astronomen. Want anders kun je niet goed begrijpen waarom de reusachtige sterrenstelsels waarmee het universum gevuld is, zijn zoals ze zijn. De zichtbare materie is domweg niet zwaar genoeg om die stelsels in groepen bijeen te houden en ze te laten rondwentelen in het tempo waarin ze dat doen. De enige manier om te snappen hoe dat kan, is dat er materie is die we niet kunnen waarnemen. Niet direct tenminste, tot nu toe. Donkere, onbekende materie, die zelfs veel zwaarder is dan alles wat we wel kunnen zien: wel vijf maal zo zwaar. Wat we zien is dus maar een tipje van de kosmische sluier: we missen het overgrote deel van de werkelijkheid nog volledig! En dan heb ik nog niet eens de nog veel mysterieuzer donkere energie genoemd.

Gelooft u in die donkere materie? Misschien doet u dat. Dat hangt er wellicht van af in hoeverre u de sterrenkundigen vertrouwt; of eventueel in hoeverre u zelf sterrenkundig bent. Gelooft u in kabouter Farzimul? Ik durf te wedden van niet. Maar waarom eigenlijk niet?

Omdat het eind dan zoek is! Want als je dit soort dingen serieus gaat nemen, dan kun je alles wel gaan geloven. Hebt u het lieflijke blote elfje Quantibammel al gezien, dat op uw rechterschouder zit? Nee natuurlijk, want ook zij is onzicht- en onvoelbaar. Voor je het weet is de wereld gevuld met miljarden wezentjes en objecten, elk met hun eigen naam en karakter. Als je niet oppast, is dat wat wij kunnen waarnemen slechts een duizendste van alles waar we in geloven. En krijg je oorlogen tussen zij die geloven in groene kabouters, zoals ik, en degenen die het geloof in paarse of rood-wit-gestreepte baardloze kabouters aanhangen. Dat gaat allemaal niet goed.

Maar ja, en die donkere materie dan? Kun je ook niet zien. Maar sterrenkundigen zijn wetenschappers, je verwacht niet dat ze in onzin geloven. Donkere materie verschilt dan ook van kabouter Farzimul en elfje Quantibammel: er is een reden voor. De astronomen zitten met een opvallend probleem: hun sterrenstelsels vallen uit elkaar! Of liever: dat doen ze juist niet, terwijl de berekeningen laten zien dat ze dat zouden moeten. Om dat probleem op te lossen hebben ze de donkere materie bedacht. Ik lieg als ik zeg dat ze daarin geloven – inderdaad, ik loog zojuist dus – maar ze hebben het wel als een hypothese naar voren gebracht. Een veronderstelling dus, die je in de praktijk kunt proberen te toetsen. Dat levert heel aardige banen op bij sterrenwachten en universiteiten. En met wat geluk ook nieuwe inzichten.

Kortom, het is prima wanneer je iets geks bedenkt en er zelfs in gaat geloven: op voorwaarde dat je daar een goede reden voor hebt. Heb je die niet, dan doe je er goed aan om je fantasie niet mooier te maken dan het is: namelijk een fantasie. En er niet in te gaan geloven. Anders is het einde zoek.

Dat alles laat zich uitdrukken in een mooie wet.

De Eerste Wet van de Eenvoud

    Als de wereld, of een stukje daarvan, op verschillende manieren verklaard kan worden,
     En deze verklaringen zijn precies even goed,
    En één van de verklaringen is identiek aan een andere maar met bepaalde toevoegingen,
    Dan zijn deze toevoegingen overbodig, en doe je er goed aan om ze te schrappen.

Mijn wereldbeeld mét groene kabouter is exact even goed als datzelfde wereldbeeld zonder die kabouter, en dus is Farzimul een overbodige toevoeging. Ik dien hem te schrappen, en dat doe ik bij dezen.

Deze belangrijke wet is door de eeuwen heen door veel filosofen en wetenschappers geformuleerd. De beroemdste formulering is afkomstig van de middeleeuwse geestelijke Willem van Ockham. Het schrappen van overbodige toevoegingen staat dan ook bekend als het ‘Scheermes van Ockham’.

Pluralitas non est ponenda sine neccesitate: Meervoudigheid moet niet worden aangenomen zonder noodzaak.

Want er moet niets nieuws voorgesteld worden zonder een geldige reden, tenzij het vanzelfsprekend is, of door ervaring bekend, of door de autoriteit van de Heilige Schrift bewezen.

William of Ockham (Latijn: Occam), 1288 – 1347: Quaestiones et decisiones in quattuor libros Sententiarum Petri Lombardi (Zinnen van Peter Lombard: Leidse editie, 1495). Boek 1: distinctie 27 vraag 2 en distinctie 30 vraag 1.

Weet u nog van de meridianen die volgens de Chinese acupuncturisten zouden bestaan? Ooit waren die een uitstekende hypothese. Maar op grond van modern onderzoek is de hypothese verworpen en zijn de meridianen overbodige toevoegingen geworden. Ze dienen dus te worden weggesneden, net als mijn groene kabouter.

Het citaat uit Ockhams boek laat zien dat er voor hem verschillende geldige redenen bestonden om nieuwe ideeën te handhaven. Naast ‘ervaring’ – wij zouden spreken van waarnemingen – schrijft hij ook over ‘vanzelfsprekendheid’ en – het kan niet uitblijven bij een gelovige monnik – over Gods woord, de Bijbel. Op die ‘vanzelfsprekendheid’ kom ik terug in het hoofdstuk over filosofie. Over de Bijbel schrijf ik al in het volgende hoofdstuk, dat over godsdiensten gaat.

De zojuist genoemde Eerste Wet kun je nog een stapje verder zetten. De Tweede Wet van de Eenvoud is voor wetenschappers een belangrijke gedragsregel:

De Tweede Wet van de Eenvoud

    Als de wereld, of een stukje daarvan, op verschillende manieren verklaard kan worden,
    En deze verklaringen zijn precies even goed,
    Maar niet allemaal even eenvoudig,
    Dan doe je er goed aan om vooralsnog de eenvoudigste verklaring te hanteren.

Let op het woordje ‘vooralsnog’: geen enkel wetenschappelijk oordeel kan ooit definitief zijn. Want je weet het maar nooit: verklaringen die vandaag precies even goed zijn, zijn dat misschien morgen niet meer! En dan kan het gebeuren dat je je keuzes moet herzien.

En dan volgen nu de eerste delen van het boek Pieter God en Bob Christus.

Voorwoord

Het begon allemaal toen we een onderzoek deden naar een van de grootste onopgeloste raadsels van onze tijd: de Heilige Drie-eenheid.

Niemand had kunnen denken dat onze wetenschappelijke onderzoeksgroep IOCUS daarbij zúlke onthutsende ontdekkingen zou doen.

Heus, we waren al heel wat gewend. We hadden al fantastische resultaten behaald. Onze publicatie in Nature over ons onderzoek naar de risico’s van telepathische straling haalde in de hele wereld de voorpagina’s. En ons consumentenonderzoek naar ongeluksbrengers heeft in veel landen geleid tot bijstellingen in verzekeringspolissen.

Maar dat allemaal was niets, vergeleken bij wat we meemaakten vanaf het moment dat we, totaal onverwacht, in direct contact kwamen met Pieter en Bob – of God en Christus, zoals ze beter bekend staan.

In het rapport dat u thans in handen heeft, doen wij uitvoerig verslag van onze bevindingen. Hoe schokkend het ook is, wij zullen volstrekt openhartig zijn, wij zullen in volledige openheid alles op tafel leggen.

Ook over onze eigen rol in de wereldschokkende ontwikkelingen die u allemaal zo goed kent zullen wij volstrekt eerlijk zijn, zelfs al was die rol wellicht niet steeds in overeenstemming met de wetenschappelijke normen. Wat daarna uw oordeel zal zijn over onze inzet – het valt niet te voorspellen. Dat de wereld ons team na deze publicatie anders zal zien – dáár is geen twijfel over. De wereld is veranderd, heftig veranderd. U hebt er recht op om te weten wat ons aandeel daarin was.

In het voorbijgaan zullen wij hier en daar in het kort opnieuw de uitslagen weergeven van een reeks oudere onderzoeksprojecten die ons team heeft uitgevoerd. Hoewel inmiddels in brede kring bekend, blijven ze zeer zeker de moeite waard.

Of we het raadsel van de H. Drie-eenheid opgelost hebben? Dat bleek nog wel het geringste van onze zorgen te zijn. Daarna begon het eigenlijk pas.

 

 

Onderzoeksepisoden

1. Expositie (uiteenzetting)

2. Intrige (verwikkeling)

3. Climax (spanningspiek)

4. Katastrofe (ineenstorting)

5. Peripetie (afwikkeling)

 

 

Inhoudsopgave

Expositie (uiteenzetting) 5
1.    Gebed met gekruiste draden. 6
2.    De Hemel en Albert Heijn. 8
3.    Paparazzi 11
4.    Consumententest: Ongeluksbrengers. 13
5.    Teambespreking: Godsbewijzen. 15
6.    God per GSM... 17
7.    De astrologie gaat met sprongen vooruit. 19
8.    Teambespreking: de PR van de Heer. 21
9.    Bidden kan ook zonder GSM... 22

Intrige (verwikkeling) 24
10.  Die Katho-dinges!. 25
11.  Laat ze komen, keer op keer. 27
12.  Interview  0032.001/IOCUS/NR. Onderwerp: Enkele Klassieke Theologische vragen. 30
13.  De risico’s van telepathische straling. 32
14.  25 kilojomanda en 100 gigakazan. 34
15.  Parallelle en andere wedergeboorten. 37
16.  Karel 40
17.  Nieuwe tekenen aan de wand. 42
18.  Geesten scrubben of pealen. 45
19.  De Moeder van de Leviathan. 47
20.  Lucifer. 48
21.  Maar wel oneervol, daar sta ik op. 50
22.  Een sociogram van de Godheden. 51
23.  Lessen van de pendel 54
24.  En Bob werd vlees. 55
25.  Mosterd van Brammert. 58
26.  De Dode Man zal sterven. 59

Climax (spanningspiek) 60
27.  De andere helft is vrouw. 61
28.  De Etna spreekt. 63
29.  Marie Antoinette en ik. 65
30.  Zelftest: Paranormale begaafdheid. 67
31.  Pulitzer prijs. 69
32.  De Moedermaag, het Onbevlekte Hart. 72
33.  God is de Melkweg. 74
34.  Teambespreking: De Heere op bezoek. 76
35.  (advertentie) De auto van nu – op paranormale denkkracht!. 78
36.  De man met de hoofddoek. 79
37.  642 godenzonen. 81
38.  Interview  0032.013/IOCUS/NR. Onderwerp: Alwetendheid en andere KTV’s. 83
39.  Stoppen! Mijn besluit staat vast. 86
40.  Avondblad: “Wetenschap spreekt met God”. 89
41.  Mooi bidden. 90
42.  Pieter volgens de Asser Persoonlijkheidsvragenlijst. 92
43.  Een sterk zelf-defensieve testattitude. 93
44.  Ditiam Daemon. 95
45.  Het damestasje. 97
46.  Ik ben de Leviathan. Ik ben de Draak. 99
47.  Wie heeft mijn sikkel?. 101
48.  Een moederloos kind van een moeder trekt zijn plan. 103
49.  Och, mijn lieve, lieve Beukje!. 105
50.  Uw eh, vlezigheid. 107

Katastrophe (ineenstorting) 109
51.  Een stukje infotainment, sorry!. 110
52.  De Aanklager versus Pieter God, Heer van het Universum... 112
53.  Ik hing aan het kruis, weet Je nog?. 115
54.  Laat Ons mensen maken naar Ons beeld. 117
55.  De vermorzelaar, de schenker van de bittere wijn. 119
56.  Lieve Juultje, 121
57.  Oude Yo-la. 123
58.  De Etna zwijgt. De koffie ook. 126
59.  Christ + AntiChrist = 5000 megaton. 128
60.  Gedenktekens ter nagedachtenis aan de menselijke onbezonnenheid. 130
61.  Het Derde Geheim van Rie zal ons redden. 133
62.  De gramschap des Heren. 135

Peripetie (afwikkeling) 137
63.  Bob is Dood. 138
64.  God, wat bent U aan het doen?. 139
65.  Here Bob, sta ons bij 141
66.  Curieuze krantenberichten. 142
67.  Nirwana door zelfannihilatie. 143
68.  Logigram: de uitslag. 145
69.  De Hemelse Republiek. 147
70.  Zand tot zand. Steen tot steen. Alles wat bestaat vliedt heen. 149
71.  Onsterfelijk, hè?. 151
72.  De gouden sikkel van Lev. 153
73.  De wetenschap der irissen. 154
74.  Niets meer voor Hem te doen. 156
75.  Psychiatrisch Onderzoeksrapport. 158
76.  De Heer van het Bijgeloof 160
77.  Nieuwe onderzoeksvoorstellen. 163
78.  Hoogachtend. 166
79.  Mijn Zoon! Mijn Zoon!. 167

 

Expositie (uiteenzetting)

1.    Gebed met gekruiste draden

P:    Ha knul, kom binnen. 
B:    Oh eh, Vader, heb Je dat gehoord, van die overstroming in Mexico?
P:    Ja natuurlijk jongen, Ik weet toch alles! Wanneer ga Je naar de kapper?

U leest hier de eerst zinnen van een gesprek dat een medewerker van mij per ongeluk afluisterde. Dat gebeurde terwijl hij – in het kader van ons wetenschappelijk onderzoek – een gebed richtte tot God. Tijdens dat gebed hoorde hij vaag, op de achtergrond, een gesprek dat kennelijk in de hemel plaatsvond.

B:    Die overstroming, Pa, Ik vind dat Je er iets aan moet doen!
P:    Oh Bob, hoe vaak moet Ik Je nou nog zeggen dat Je Je daar niet mee moet bemoeien?
B:    Ja, maar Je weet heel goed dat Ik het daar niet mee eens ben. Ik vind ... oh shit, M’n GSM. Alweer zo’n klote-gebed, en Ik heb m’n voicemail niet aangezet. Ja hallo? (...) Sorry hoor, even geen tijd voor, Ik ben met iets belangrijkers bezig. Doei!
K:    Nou, als Ik er even tussendoor...
P:    Karel hou Je kop, Je weet dat Je Je er buiten moet houden. En Bob, moet Jij niet net ergens heen voor een afspraak of zo?
B:    Jezus Pa, Je weet best dat Ik alomtegenwoordig ben, net als Jij.
P:    Bob! Schei eens uit met dat gevloek, verdomme! Ik zeg het nog maar één keer, hoor!
B:    Zak! Maar die overstroming, Pa, Jij hebt mooi praten. Ik mag Me er niet mee bemoeien, zeg Je, maar zometeen kan Ik weer al die gebeden aanhoren, over mensen die hun dochtertje missen, of dat ze honger hebben, of dekens willen, kortom Ik mag de hele zaak weer opvangen!

Bidden was voor ons een routineaangelegenheid geworden – wij deden elk tientallen gebeden en gebedjes per dag. Maar zoiets als dit per ongeluk afgeluisterde gesprek hadden we nog nooit meegemaakt. Hoe het kwam is ons niet bekend; het lijkt erop dat er als het ware enkele “verbindingsdraden gekruist waren”. Het signaal was zwak maar desondanks goed te verstaan. Gezien de inhoud van de afgeluisterde conversatie was het vermoedelijk niet de bedoeling dat wij deze konden volgen.

Ik vervolg de woordelijke weergave van het gesprek. Er namen drie personen aan deel, zoals u al zult hebben waargenomen, die we op grond van evaluaties achteraf “P”, “B” resp. “K” genoemd hebben.

P:    Jongen, als het Je niet zint zoek Je toch een andere baan?
K:    Goed idee, dan kan Ik misschien eindelijk...
B:    Karel hou Je kop. Au! Blijf met Je poten... Oh kijk, nou is Mijn aureooltje verbogen.
P:    Karel! Schaam Je. En dat voor een Heilige.
K:    Ja nou, Ik ga wel naar Mijn kamer, hoor!
P:    Mooi. Bob, luister, Ik zal het Je nog één keer uitleggen.
B:    Oh Vader alsjeblieft, niet weer een preek!
P:    Ja, Ik moet wel, blijkbaar. Hoor eens, het lange termijn-beleid van de wereld is Mijn werkterrein, niet?
B:    Helaas wel, ja.
P:    (zucht) Inderdaad. En die overstroming, die heeft op de lange termijn een bedoeling. Ik kan Je dat niet goed uitleggen ... wat is er?
B:    Ah shit, Mijn hand bloedt weer. Wat een troep, Mijn kleren zitten er onder.
P:    Nou, hocus pocus, weg is de rommel. Dus Je moet me vertrouwen...
B:    Hah!
P:    ... als Ik Je zeg dat die overstroming gewoon nodig is. Het is slecht voor M’n image, Ik weet het...
B:    En voor het Mijne!
P:    Ja natuurlijk, maar We moeten nou eenmaal naar buiten toe als één persoon optreden, dat weet Je best, dus Je moet maar gewoon solidair zijn.
B:    Ja! Door die stommiteit van Jou, dat Je tegen die mensen gezegd hebt dat er maar één God is [1]. Door dat verdomde monotheïsme wat Jij hebt uitgevonden...
P:    Ja Ik weet het, dat was niet slim van Me. Maar dat is nu eenmaal zo, en Je kunt van Mij niet verwachten dat Ik nu tegen de mensen ga zeggen dat Ik Me vergist heb. Wat denk Je dat dat met Mijn reputatie doet?
B:    Hoor eens, Jouw reputatie... hee kut, iemand luistert mee! Ik... (onverstaanbaar)

Daarop verdween de verbinding.

 

2.    De Hemel en Albert Heijn

Ach weet u, hij kon het niet helpen, mijn oude godsdienstleraar op school, toen ik nog een jongetje was. Tenslotte, de Wetenschap was nog niet zo ver gevorderd als nu. Het was voor hem onmogelijk om mij antwoord te geven toen ik hem vroeg om me uit te leggen hoe dat nou toch kon, dat van die Heilige Drie-eenheid [5]: tegelijk drie en ook één persoon? Hij zuchtte als antwoord zoiets van “Gods wegen zijn ondoorgrondelijk ...”, en ik, ik was kwaad.

Maar eerlijk, achteraf snap ik dat hij er niets aan kon doen. Tegenwoordig! Ah, tegenwoordig ligt dat allemaal heel anders. Nu is de Wetenschap zoveel verder dan toen.

We beschikken nu over de organisatiekunde, waardoor we begrijpen hoe een meerkoppige bedrijfsleiding als één lichaam kan functioneren. Dankzij een organogram is het zelfs mogelijk om een complex geheel op een overzichtelijke manier schematisch weer te geven.

Mooie dingen, hoor, die organogrammen. Daarom heb ik, samen met mijn wetenschappelijk team IOCUS, gevestigd aan de befaamde Onafhankelijke Paraversiteit, hard gewerkt aan het in kaart brengen van de Hemelse organisatie. Het resultaat van onze arbeid ziet u hier.

De volgende stap in ons onderzoek bestond uit het maken van vergelijkingen met andere organisaties, die we van dichtbij konden bestuderen. Het duurde niet lang voordat we een opmerkelijk resultaat bereikten. Kijkt u eens naar het organogram van een welbekende supermarktketen.

Al bij de eerste oogopslag is duidelijk, dat de overeenkomst tussen de beide figuren groot is. Zo groot, dat er geen sprake kan zijn van toeval! Deze formidabele ontdekking bracht ons logischerwijs tot een hypothese, en wel de volgende.

Net als Albert Heijn [6] is ook de Hemel een familiebedrijf. God is de oprichter, en na enkele duizenden succesvolle ondernemingsjaren haalde Hij Zijn Zoon in het bedrijf. Niet zozeer als Zijn beoogde opvolger – God is immers onsterfelijk – maar wel om de ouder wordende directeur-eigenaar enigszins van Zijn taak te ontlasten.

Vanzelfsprekend vloeit daaruit een voor de hand liggende taakverdeling binnen de Heilige Drieëenheid voort – althans wat betreft de Vader en de Zoon. Namelijk, dat God de Vader zich in de Hemelse organisatie vooral richt op de strategische onderwerpen met langetermijneffecten. Waarbij Christus de Zoon zich in het bijzonder bezighoudt met de dagelijkse leiding, en dus met het kortetermijnbeleid en de operationele beslissingen. De rol van de H. Geest is nog enigszins onduidelijk, maar is vermoedelijk ondersteunend en adviserend van aard.

Deze taakverdeling neemt echter niet weg dat de voltallige bedrijfsleiding naar buiten toe als één geheel optreedt. Ziedáár de verklaring van het mysterie van de Heiige Drieëenheid!

Een fraaie hypothese. Maar ons onderzoeksteam IOCUS houdt zich niet bezig met verhaaltjes. Met sprookjes of mythen. Wij bedrijven Wetenschap, en dat betekent dat we het niet mogen laten bij het opstellen van interessante theorieën, maar dat we deze ook dienen te toetsen. De vraag was dus, hoe we de juistheid van onze hypothese door middel van experimenten op de proef konden stellen.

Het antwoord lag voor de hand: door te bidden, vanzelfsprekend! Teneinde vast te stellen of de taakverdeling binnen het Hemelse bestuur overeenkomt met de hypothese van het bovengetekende organogram, hebben we een systematisch opgezette reeks gebeden gelanceerd. In de loop van drie jaar heeft mijn team een indrukwekkende reeks experimenten uitgevoerd.

De gebeden waren zorgvuldig gekozen binnen een aantal thema’s, zodanig dat de gebeden ingedeeld konden worden in twee groepen: strategisch georiënteerde thema’s (zoals het winnen van oorlogen, lange termijn gezondheid, het bereiken van het miljardairschap, enz.), en meer tactische, uitvoerende thema’s (zoals het veilig oversteken van de straat, een gelukje bij het pokeren, een grotere auto dan je buurman e.d.). In totaal 12.560 gebeden rond die thema’s zijn door ons uitgesproken, en de erop volgende gebeurtenissen zijn zorgvuldig gescreend op de mate van gebedssucces. De uitkomsten zijn vanzelfsprekend vergeleken met de kans op succes door louter toeval, die we door middel van een controlegroep (die niet bad) hebben vastgesteld.

Dit leverde het volgende resultaat op:

 

Gebedssuccespercentage  (N = 12.560)

Gebed gericht tot

Strategisch

Tactisch / operationeel

Totaal

God de Vader

Jezus Christus

Heilige Geest

 

Toeval (geen gebed)

28%

21%

14%

 

16%

21%

36%

24%

 

23%

25%

29%

19%

 

20%

 

De resultaten zijn zeer significant (α<0.01), en zij bevestigen de hypothese. Ze leiden tot het volgende bid-advies:

  • Voor strategische zaken bidde men tot God de Vader, het “hoofd” van de organisatie.
  • Meer alledaagse zaken worden het effectiefst door zijn Zoon Jezus afgehandeld: hij is de “handen” van de organisatie.
  • Bidden tot de Heilige Geest wordt ontraden. Het lijkt erop dat de H. Geest geen moer heeft in te brengen.

Tja, en toen – zo tegen het eind van het onderzoek – kwam dus dat onverwacht afgeluisterde gesprek. U begrijpt: dat konden we niet laten zitten. Dat moest nader uitgezocht worden!

 

3.    Paparazzi

“Zeg schrijver!”
Hè?
“Schrijver! Ja, jij!”
Ik hoor iemand praten. Maar ik ben alleen. Dus dat kan niet.
“SCHRIJVER! Kijk uit, of Ik ga gebruik maken van Mijn almacht!”
Oei. Dat klinkt als God. Ja, Heer?
“Je spreekt met Pieter.” (Pieter??) “Dat was jij, die Mij heeft zitten afluisteren, niet? Ontken het maar niet, want Ik weet alles.”
Nou, althans, eigenlijk was het een van mijn medewerkers, Heer, bijna goed dus. Wat kan ik voor U doen?
“Wat jij hebt gehoord, vanuit de hemel, dat ga je toch zeker niet publiceren, hè?”
Eh, ai. Dat was ik eigenlijk wel van plan, dus.
“Weet ik. Maar Ik zou het maar niet doen, als Ik jou was.”

De bovenstaande dialoog vond plaats, één dag na het verrassende gebed dat hierboven beschreven is. Het bleek het eerste gesprek te zijn van een reeks die ik in de maanden erna met Pieter had.

Het ging verder (N = Niko, P = Pieter):

N:  Maar Heer, dat is toch zonde! Ik weet zeker dat heel veel mensen het heel belangrijk zullen vinden.
P:   Vast wel. Maar Ik wil het niet.
N:  Maar! Maar de wetenschappelijke waarde dan?
P:   Die is niet belangrijk. Ik ben veel belangrijker, en voor Mij zou publicatie nogal pijnlijk zijn. Dat kun je…
N:  Ja maar Heer, d…
P:   IK WAS AAN HET PRATEN!! Jij moet je mond houden!
N:

 

 

 

 

P:   Juist. Denk erom, val Me nooit weer in de rede. De volgende keer laat Ik je minstens drie hele bladzijden lang je mond houden.
N:  Ja, Heer. Het spijt me. Heer?
P:   Ja?
N:  Heet U Pieter?
P:   Ja. Maar jij mag Me ‘Heer’ noemen.
N:  Goed, Heer. En hoe noemt U mij dan?
P:   Ik geef je elke naam die Ik wil. Ik ben almachtig.
N:  Zeker. Absoluut. Eh, nog even over die publicatie?
P:   Ik wil het niet hebben. Mijn hele reputatie zou naar de Filistijnen zijn!
N:  Nou… Dat is precies waar ik het even over wilde hebben. Ziet U, Uw reputatie is de laatste tijd niet meer zo heel denderend.
P:   Hoezo?
N:  Nou ja, dat weet U wel. U weet alles.
P:   Ja.
N:  Dus ik dacht: misschien dat de publicatie van dat gesprek nog helemaal niet zo gek zou zijn, voor Uw reputatie bedoel ik. U komt er zo eh, zo menselijk over.
P:   En dat is goed?
N:  Nou ja, ik dacht van wel, ja.
P:   Maar Ik kan me toch niet inlaten met paparazzi?
N:  Oh, maar Heer, dat vind ik kwetsend. Ik ben niet van de roddelpers! Ik ben een wetenschapper.
P:   Wat is dat, wetenschap?
N:  Eh ja, … Vindt U het goed dat ik U dat later eens vertel?
P:   Goed. Publiceer maar. We zullen wel zien wat het oplevert.
N:  Oplevert? Tja, als U dat wilt! Er is denk ik inderdaad goed geld mee te verdienen. Wilt U rijk worden?
P:   Nee. Alles is al van Mij. [7]
N:  O ja.
P:   Nu ga Ik weg. Tot ziens.
N:  Wacht! Wacht even, alstUblieft. Kan ik nog eens vaker met U praten?
P:   Dat is goed. Bel Me maar.
N:  Maar, ik weet Uw telefoonnummer niet!
P:   Maakt niet uit. Elk nummer is goed. Ik hoor alles, weet je.
N:  Ah.

Daarop hoorde ik niets meer, en ik haastte me om de gehele conversatie zo letterlijk mogelijk op te schrijven.


Voetnoten

[1] Thora [2]: Deuteronomium 6: 4.

[2] De Thora bestaat uit de eerste vijf boeken van de Tenach [3].

[3] De Tenach is integraal en vrijwel ongewijzigd opgenomen in de Bijbel als het Oude Testament [4].

[4] Dus – en ik hoop dat u het nog kunt volgen – overal waar Thora of Tenach als bronvermelding staat, kunt u net zo goed lezen: Bijbel.

[5] Bijbel: 1 Johannes 5:7-8. Er is precies één opmerking over de Drie-eenheid in de Bijbel. De opmerking, die de naam Comma Johanneum heeft gekregen, staat in de Vulgata Bijbelvertaling van rond 400 na Chr., vervolgens ook in de Nederlandse Statenvertaling van 1637, en zelfs nog in mijn Bijbeltje van 1961. Maar niet in de oudste tekstversies: hij is er ergens tussen ca. 200 en 400 na Chr. ingeritseld. In moderne Bijbelvertalingen is de opmerking er weer uitgehaald.

[6] Ahold: Annual Report 2013

[7] Tenach: Psalm 24: 1

Tot zover mag u op de website lezen. Nieuwsgierig geworden? Als u de schrijver helpt om het boek uitgegeven te krijgen, kunt u daarna de rest lezen!

Uitgeven kan als papieren boek; als digitale uitgave; of zelfs in afleveringen in een krant of tijdschrift. Misschien nog wel meer, waar Roorda zo gauw niet aan dacht. Laat het hem weten!