Your browser version is outdated. We recommend that you update your browser to the latest version.

Filosofie

De ene eet, de ander wordt gegeten.
Terwijl ik lunch, fuseer ik met mijn brood.
De etende zijn brood is de gegetene zijn dood,
en beiden zijn een deel der voedselketen.

De som van brood en ik neemt na het eten
de naam aan van de etende partij.
Het tegendeel betekende voor mij
dat ik straks “Boterham Met Jam” zou heten.

 

Filosofie is gepubliceerd in het tijdschrift De Tweede Ronde, zomer 2002, in de rubriek Light Verse.

Het gedicht is ook opgenomen in de gedichtenbundel Zo klinkt dus weggesmeten geld uit 2007, onder redactie van Meindert Burger en Jos Versteegen, uitgegeven door Mouria, Amsterdam.

In 2011 maakte puzzelontwerper Jaap de Berg gebruik van het gedicht in zijn kruiswoordpuzzel in dagblad Trouw van 28 juli. Rechts ziet u de puzzel: kijk naar Horizontaal 16. Mocht u de afbeelding te klein vinden om het te kunnen lezen, klik er dan met rechts op en kies 'View Image' of 'Afbeelding openen'.


 Late avondliefde

Ik kijk in aanbidding hoe jij bent getooid
met die roos in je donkere lokken.
En als ik je streel plakt het ook aan mijn handen,
in duizenden bleekwitte vlokken.

  

Je haren zijn donker, en golvend, en lang,
ik streel ze graag zacht met mijn handen.
Al is dat wat moeilijk, omdat je 't niet draagt
op je hoofd, maar alleen op je tanden.

  

Je tanden zijn wit en ze lachen me toe,
als ik stap in ons echtelijk bedje.
Ze zijn goed te zien in hun glaasje, dat staat
op het nachtkastje naast je toupetje.

  

En als ik vannacht weer de slaap niet kan vatten,
dan pak ik dat glaasje en drink.
Ik drink net zo lang tot ik niets meer besef
en ik in de vergetelheid zink.

 

En dan is het me best, ook al drink ik me dood,
want ik kan, als ik ben overleden,
dat glaasje vergeten met tanden met haren
met roos, en dan slaap ik in vrede.


Communicatiepgobleem

- Mijn vgouw klaagt dat ik niet egg goed kan pgaten.
Ik zeg de eg niet echt zoals het hoogt.
Ik heb dat zelf niet eggug in de gaten,
maag zij zegt dat het haag behooglijk stoogt.
Ik vind dat gaag, ‘k zie niet wat eg vegkeegd is.
Ik bgouw, zegt zij, maag ik beggijp haag niet.
Dat komt doogdat het mij niet goed geleegd is,
vegklaagt ze mij, en dat doet mij vegdgiet.

 

- Ja indeddaad, mijn man kan niet goed pdaten.
Zijn ed klinkt daad, dat komt dooddat hij bdouwt.
Toch houd ik edg van hem, wij zijn twee maten,
en andeds was ik nooit met hem getdouwd.
Ik tdeud edom dat hij zoveel vedddiet heeft.
Dat is edg ddoevig, maad ik tdoost hem gdaag.
Waadvood hij mij voodtdudend veel kdediet geeft,
en da’s de deden waadom ik nooit klaag.

 

- Ja hooj, mijn oudejs zijn weej aan het kliejen.
Ze zijn zó ojdinaij, ‘k geneej me gek!
Zij zit weej op mijn vadejs ej te tiejen,
maaj zelf heeft mama ook een spjaakgebjek.
Ze zijn vulgaij, ik kan ze niet meej uitstaan!
Ik baal van thuis, dit is niet waaj ik hooj.
Ik loop hiej weg, ik wil ej tussenuit gaan!
Ik ga ej met mijn vjiendje mooi vandooj.

 

- Ik laat mijn blank vliendinnetje maal platen,
Ik vlij met haal omdat zij dat glaag doet.
Haal moedel! Die blengt mij in alle staten,
Ik kwijl van haal tot in mijn ondelgoed…
Ik hoop dat mijn vliendin el snel vandool gaat,
Dan heb ik haal mama vool mij alleen.
Zodla haal papa dan naal zijn kantool gaat,
Glijp ik zijn vlouw en ga el ovelheen!

 

                                      Niko Googda, Tilbugg


Een beetje bloed van jou

Ik ken een kleine vleermuis,
en dat is een aardig ventje.
Hij woont hier bij mij in de voortuin,
in een snoezig tentje.
Wanneer ik in mijn tuin zit,
komt hij vrolijk rond mij vliegen.
Dan kruipt hij lekker op mijn schoot
en laat zich zachtjes wiegen.
En als hij honger krijgt dan trekt hij
zachtjes aan mijn mouw,
en fluistert in mijn oor: “Mag ik
een beetje bloed van jou?”
Dan aai ik op zijn koppie
en ik houd hem bij mijn hals.
Hij drinkt en prevelt zachtjes
naar mij: “Ooh, wat ben je mals!”

 

Mijn vleermuisje wordt groter,
en hij blijft vaak dicht bij mij.
Dat is best wel gezellig,
maar ook wel eens wat onvrij.
Hij roept vaak: “Ik ben dol op jou!”
en dat vind ik wel goed,
maar jammer is dat ik zijn liefde
voel tot in mijn bloed.
Als hij bij mij op schoot zit,
nou, dan is dat best wel zwaar.
Hij zuigt mij in mijn hals
en aait me zacht over mijn haar,
totdat het duizelt in mijn hoofd
zodat ik bijna flauwval.
Ik ben een beetje zwak
en voel me soms een soort van bouwval.

 

Mijn vleermuis is nu heel erg groot,
en altijd heeft hij dorst.
Hij drinkt en drinkt mijn bloed
uit gaten in mijn nek en borst.
Hij zit nu altijd op mijn schoot
en wiegt mij heen en weer.
Ik kan mijn armen niet meer tillen,
hij voelt als een beer.
Ik hou nog best van hem, maar
hij houdt nog veel meer van mij!
Hij maakt mij leeg en ik hem vol,
ik ben zijn lekkernij.
Hij fluistert oorverdovend:
“Ahh, ik vind je zo begeerlijk!”
Ik ril, ik beef, ik ben kapot,
en hij, hij vindt me heerlijk.

 

Eens kende ik een kleine vleermuis,
echt een aardig ventje.
Nu woont hij in mijn huis en bed,
en ik slaap in zijn tentje.
Hij neemt mij dikwijls op zijn schoot
en wiegt me heen en weer.
Ik ben zijn zuigfles en zijn rietje
en zijn knuffelbeer.
Mijn bloed is op, mijn lijf is leeg,
ik ben een beetje moe.
Ik zie mijn vleermuis, en verlangend
kruip ik naar hem toe.
Ik heb een vreselijke dorst!
Ik trek hem aan zijn mouw.
Ik fluister in zijn oor: “Mag ik
een beetje bloed van jou?”


Dadelijk

De dadels in uw kraam zijn rot,
Als ik het even goed bekijk!
Haha, geen mens die mij bedot,
ik eis direct een dadelijk.


De jager

Ik ben de hoeder van het bos.
Ik waak over konijn en vos.
Mijn wapen heb ik in de hand:
zo houd ik de natuur in stand.
En wordt het in het bos te druk,
dan schiet ik een stel dieren stuk.
Ik doe dat enkel als mijn plicht,
voor het natuurlijk evenwicht.

 

Ik ben vakkundig: met elk schot
maak ik wel een wild dier kapot.
Maar denk maar niet dat ik geniet
wanneer ik op konijnen schiet.
Slechts voor het welzijn der natuur
neem ik echt alles onder vuur.
Ja, niets ontsnapt aan mijn gericht,
voor het natuurlijk evenwicht.

 

En Pang! en Beng! Ik leg ze neer
met mijn geweldig schietgeweer.
En Boem! Ik pak er nog een paar,
Haha! Ik ben nog lang niet klaar.
Pardon, ik liet me even gaan.
Wat heb ik toch een zware baan!
Ik heb een slachting aangericht
voor het natuurlijk evenwicht.

 

Ja, ‘k ben een zegen voor het bos:
want ik schiet alles total loss.


 Samen

‘n Gedeelde smartie is een halve smartie
We hebben er één, let’s have a party!


Beroep

Deinum
Dronrijp
Franeker
Harlingen

 

Franeker
Dronrijp
Deinum
Ljouwert

 

Koffie met koek

 

Deinum
Dronrijp
Franeker
Harlingen

 

Franeker
Dronrijp
Deinum
Ljouwert

 

Broodje met soep

 

Deinum
Dronrijp
Franeker
Harlingen

 

Franeker
Dronrijp
Deinum
Ljouwert

 

Koffie met koek

 

Deinum
Dronrijp
Franeker
Harlingen

 

Franeker
Dronrijp
Deinum
Ljouwert

 

Wat een beroep

 

Deinum
Dronrijp
Franeker
Harlingen


Gebed

Onze Vader, lieve Heer,
Laat de kinderen tot mij komen.
Overdag en in mijn dromen:
Laat ze komen, keer op keer.
Zij geloven wat ik zeg,
Anders dan de grote mensen.
Want die kinderen, Pa, ik ken ze:
Ik verleid ze simpelweg.
Ben ik niet Uw liefste zoon?
Ieder kind dat ik op straat zie
Prop ik vol indoctrinatie.
Heer, ik sleep ze naar Uw troon.
Oude schapen raakt U kwijt
Want de kudde trekt al verder,
En vergeten is de herder;
Dit is de moderne tijd.
Maar de lammetjes gaan niet weg,
Want die kunnen nog niet denken.
Hen kan ik nog aan U schenken,
Zij geloven wat ik zeg.
Onze Vader, lieve Heer,
Laat de kinderen tot mij komen.
Overdag en in mijn dromen:
Laat ze komen, keer op keer.


Windekind

Dit gedicht is, wat ik zou willen noemen: een rotatierijm. Kenmerkend is de cyclische herhaling van bepaalde regels, die een melancholieke of beschouwelijke sfeer oproept.
Kenmerkend is ook het rijmschema: abba - bccb - cddc - daad. Er zijn dus maar 4 verschillende rijmklanken.
Daar komt nog bij: de vorm van de verzen. Elke 1e en 3e regel bestaat uit 4 trocheeën (waarvan de laatste eventueel niet afgemaakt). Elke 2e en 4e regel bestaat uit 3 jamben, eventueel met een vrouwelijke uitgang. De wisseling tussen trocheeën en jamben veroorzaakt dat er na iedere regel een soort gedwongen stilte hangt, die de gedragen sfeer versterkt.
Wie maakt er ook eens een rotatierijm?

 

Op de weg liet ik een wind
Hij woei bij mij vandaan
Wie weet waar hij heen zal gaan ...
Onnozel windekind

 

Winden blijven nimmer staan
Ik rook hem nog heel even
Toen begon zijn weidse leven
Hij woei bij mij vandaan

 

‘k Wilde hem zijn vrijheid geven
En toch zal ik hem missen
Waar hij gaat kan ik slechts gissen
Ik rook hem nog heel even

 

Zal hij daar de lucht verfrissen?
Onnozel windekind
Niets dat hem nog aan mij bindt ...
En toch zal ik hem missen


Verschrikkelijk in Haarlem

Een Ollekebolleke

Waarlijk verschrikkelijk!
Haarlemmerolie. 't Is of er een duveltje
op je tong piest.
Maar wat nog erger is:
Haarlemmerméérolie
Van al wat vies is is
dat wel het viest.


Het hoofd

Het hoofd is zonder twijfel
een nuttig apparaat.
Vooral als het, zoals gewoonlijk,
op twee schouders staat.
Da’s duidelijk in tegenstelling
tot de plaats der voet,
want als die op een schouder staat
dan staat hij daar niet goed.

 

Wanneer het hoofd naar links keert,
dan keert zich ook de neus.
Want doordat die verbonden is
aan 't hoofd heeft hij geen keus.
Derhalve wendt de neus zich ook
zo nodig mee naar rechts:
zoals u ziet, gehoorzaamheid
en ruiken rest hem slechts.

 

Dit is een handig fenomeen,
want daardoor ziet men licht,
door 't wijzen van het reukorgaan,
waar 't hoofd is heen gericht.
Recht onder deze snuffelpaal
daar vinden wij de mond.
Gesloten oogt die als een streep,
geopend is hij rond.

 

De onderkant des monds die
noemen wij gewoonlijk kin.
De voorkant is van lip gemaakt;
de inhoud zit er in.
Ook is het aangezicht versierd
met twee gekleurde ogen.
Daar werpt men dikwijls blikken uit,
voor het gezichtsvermogen.

 

Aldus is het gelaat gevuld,
zo is het hoofd van voren.
Ter linker‑ en ter rechterzijde
groeien dan nog oren.
De oorschelp heeft, het moet gezegd,
een kronkelige vorm.
Dit is voor ons niet hinderlijk,
maar wel voor de oorworm.

 

Vaak is het hoofd met haar bedekt,
niet altijd, evenwel:
want als men kaal is draagt men slechts
als hoofdbedekking vel.
Thans wil 'k de vulling van het hoofd
een weinig aandacht schenken.
Dat is een roze pasta, waarmee
mensen doorgaans denken.

 

Het denken is een goede zaak
voor ieder die het kan.
Doch wie denkt dat hij 't niet vermag
weerhoude zich ervan.
Aldus is nu het hoofd gebouwd,
men kan het goed benutten.
Doch als het hoofd te zwaar wordt
moet de hand het onderstutten.

 

Dit is een ernstig nadeel
van het denken, weliswaar,
want als men minder hersens had
dan woog het minder zwaar.
Toch is het hoofd een goede zaak,
daar moet men wel op letten.
Want immers, zonder hoofd zou men
geen hoed op kunnen zetten.


Blauwtje op de Zwarte Zee

De Zwarte Zee is blauw
maar als het stormt dan is-ie grauw
ik wou

 

ik wou een keer
met jou een keer
die zee op, heen en weer
zodat ik meer

 

zodat ik meer met jou kon zijn
dan zou ik zijn
met jou

 

met jou daar op de Zwarte Zee
de blauwe en de grauwe zee
nam ik je mee
nam je met me mee

 

ik nam je met me mee naar daar
maar
niet nu, okee, maar
kun jij dan volgend jaar?


Psalm 42  (Hypo-Ionisch)

Inderdaad: psalm 42. Vers 1 en vers 4, hypo-Ionisch.

‘t Hijgend hert, der jacht ontkomen
schreeuwt niet sterker naar ‘t genot
om zijn plas te laten stromen
dan mijn blaas roept om de pot.
Ja, mijn buik knelt immer meer;
God des Levens, ach wanneer
zal ik naad’ren tot bevrijding,
in Uw afvoerwaterleiding?

 

‘k Zucht, daar bange nieren loeien,
door ‘t gedruis der waat’ren groeien
daar mijn golven, daar mijn baren
mijn benauwd geslacht vervaren.
Heer, ik houd het nu niet meer,
‘k buig mijn weerstand voor U neêr.
Eerst gestaâg en dan steeds zwakker
loopt mijn water op Uw akker.


Tok

Ze is een wipkip van beroep,
ze scharrelt langs de wegen.
Wel vijfmaal gaat ze ‘s nachts op stok
en wordt er dan bestegen.
Dus als een haan haar hebben wil
maar heel de nacht niet vangt,
dan heeft hij wel de tok gehoord
maar weet niet waar de tepel hangt.


Peuking Keus

Mijn bovenbuurman is een kok,
hij werkt bij de Chineus.
Hij komt uit Peuking en heet Keus.
Zijn keuken is een wok.

 

Mijn buurman Keus smeult reuenvleus
bij voorkeur als één blok,
en steukt het op een houten stok,
Keus is heel geunereus.

 

Hij maakt het smeuïg met wat brok-
jes uit zijn peukineus:
hij vindt dat delicieus.

 

Ik vind zijn euten seurieus
zwaar kleuten van de bok.
Halst de kok! Halst de kok!


Hondje

Mijn hond poept altijd in het gras,
ergens op een zoodje.
En even heeft-ie, lijkt het dan,
een vijfde pootje.


Weggezakt

k hb lst vn lss klnkrs
wnt z zkkn ldr wg,
i e a a oe ie
wrdr jll nt bgrpn
a e ae aoo e
wt k tgn jll zg.
   aaoo uie ie
                        eije
      a i ee
                   uie
                          e 


Vorsten en Vorstinnen

Beetsterzwaag
De koningin van Beetsterzwaag
heeft honderd pennen in haar maag!
Dat komt, ze eet ze nogal graag,
ze vindt die pennen lekker.

 

Ze meent dat het ‘t beste zinkt
wanneer ze steeds een wolkje inkt
na elke pen naar binnen drinkt,
bij voorkeur met een cracker.

 

Dedemsvaart
De koningin van Dedemsvaart
had zeven knopen in haar staart,
die zij geduldig had gespaard
in zeven lange jaren.

 

Maar toen men haar verwittigd had
dat zij toch echt geen staart bezat,
sprak zij verdrietig: “Mooi is dat!
Ik stop subiet met sparen.”

 

Uithoorn
En dan de keizer van Uithoorn!
Die had, toen hij zich had geschoorn
zomaar opeens zijn hoofd verloorn,
stond in de krant te lezen.

 

Hij sprak beklemd vanuit zijn keel:
“Nou ja, het doet me niet zo veel.
Ik keek mijn hele leven scheel,
en dat is nu genezen!”

 

Zoetermeer
De hertogin van Zoetermeer
heeft in haar string een jongeheer,
want zij is stiekum een meneer,
en dat mag niemand weten.

 

Haar hertog blijft haar dapper trouw,
hij neemt het blijkbaar niet zo nauw.
Zelf is hij eigenlijk een vrouw,
maar dat is hij vergeten.

 

Paterswolde
En Paterswolde heeft een vorst
met dertien tepels op zijn borst!
“Ja, dat is handig voor de dorst,”
sprak de monarch gewichtig.

 

Doch later, toen de koning merkte
dat één tepeltje niet werkte,
dronk hij voort op halve sterkte:
hij was graag voorzichtig.

 

Groningen
In de provincie Groningen
daar wonen duizend koningen
in evenzoveel woningen,
de meeste nogal grote.

 

Maar in de provinciale klei
Daar woont helaas slechts één lakei!
Dus die heeft nooit eens even vrij,
hij vindt dat best wel klote…

 

Otterloo
De hertogin van Otterloo
was al haar hele leven vlo.
En als men vroeg: “Hoe komt dat zo?”
dan had zij geen idee.

 

Haar hertog vond het best wel leuk,
omdat hij stapel was op jeuk.
Hij lag voortdurend in een deuk,
steeds als hij met haar vree.


 

 

 

 

 

      

De herenboer
Wiskunde
Jan-Hein
De Schoft
Hé, bah!
De kersentaart
Helaas
Zonder haar
O tijd, o zeden
Hei
Leringen over de Liefde
Weg in Wenen
Alles voor je over
Vlekkerige liefde
De liefde Gods
De Weertse frietmachine
Inseminatie
Vies of lekker
De chocolodevlo
Mijn grafschrift



De herenboer
Een petrarcaans sonnet

Vol spanning wordt er op uw komst gewacht.
Met open mond hoort men u eensklaps komen.
Gelaten wacht u of u bent vernomen.
Men siddert om uw tomeloze kracht.

 

Ontsprongen aan een sprankelende bron
wordt u het liefst door iedereen verzwegen.
En wie u noodde voelt zich wat verlegen,
en stamelt met een rood hoofd: ‘O, pardon!’

 

U bent gevreesd, een smet op het blazoen,
want door uw macht bent u soms niet te stuiten.
Uw stem is als de stoot van een klaroen.

 

Uw geur herinnert vaag aan kool of spruiten.
Geen is er die iets tegen u kan doen:
eenmaal bevrijd, bent u voorgoed naar buiten.


 Wiskunde

De amoebe plant zich voort door deling
1 : 1 = 2
De mens vermenigvuldigt zich
1 x 1  = 3
Maar wie zich aftrekt blijft alleen
1 - 1 = 1
Ergo, niets is eenvoudig
0 = 1


 Jan-Hein

 Ick ben Baron van Ghroningen
tot Harderwijck en Amersfoort
met Overstap te Zwolle en
een Cort Bezoeck aan Muiderpoort,
doch als U met de Auto komt
neem dan bij Voorkeur de A6,
en dan er Af naer Naerden bij ‘t
Verkeers Plein van Eemnes.

 

De mensen noemen mij vaeck Piet;
maer daernaer luister ick dus niet.
Ick luister enkel altijd naer
de naem Baron van Ghroningen
tot Harderwijck en Amersfoort
met Overstap te Zwolle en
een Cort Bezoeck aan Muiderpoort,
doch als U met de Auto komt
neem dan bij Voorkeur de A6,
en dan er Af naer Naerden bij ‘t
Verkeers Plein van Eemnes.

 

Doch staet er soms een phile op dat Plein,
dan luister ick ook naer de naem Jan-Hein.


 De Schoft

Bij een Gelders dorpje woonde ooit een oude Schoft,
met knoeste vingers en met rinse haren.
Lang geleden was hij bij dat dorpje neergeploft,
en sedert woonde hij er vele jaren.
Hij had een schottig hutje dat hij zelf ooit had gebouwd,
waarin hij al zijn drommel en zijn drabbel had verstouwd.
Hij kreunde en hij schreeuwde ‘s nachts door heel het groeve woud,
en kwam er nooit of zelden tot bedaren.

 

Elke avond in het duister kwam de Schoft naar buiten,
en strompelde verkreupeld om zijn hutje.
Peurend in de moddertroep en klauwend in de kluiten,
zo zocht hij voor zichzelf een eetbaar prutje.
Met al zijn vingers smeerde hij het smorend in zijn muil,
hij maakte zich tot in zijn nek met vette modder vuil,
en hield zich dan weer stierlijk grommend in zijn hutje schuil,
en loeide om zijn langverloren Trutje.

 

Op een winteravond, toen de Schoft luid zat te zinderen,
toen kwam een bende horken op hem af.
“Oh, jij vuile Schoft!” riep men, “jij vreet aan onze kinderen!
wij helpen jou wel even in je graf.
We hebben schoon genoeg van jou, je bent een rotte plek!”
Ze sloegen hem met knuppels en ze gooiden hem met drek,
ze porden in z’n vunzig vlees en beukten op z’n bek,
en bitter was zijn zwaar verdiende straf.

 

Gillen deed hij, stokkend steunen, toen ze om hem lachten.
Zijn hutje stak men laaiend in de fik.
Maar het antwoord van de Schoft liet niet lang op zich wachten,
hij smeet de horken languit in het slik.
Toen heeft hij op hun lijven een kwartier of meer gedanst
waarbij ze morsig beurs en lekkend lam werden gestanst.
Nog weken heeft de Schoft daarna geslobberd en geschranst,
en ‘s nachts weerklonk gegiechel en gesnik.

 

Vele jaren later zwierf een Trutje langs de wegen,
haar kleren en haar knoken lang vergaan.
Ze gilde overal “Kwam jij mijn gabber ergens tegen?”
Ze kwam ook in het Gelders dorpje aan.
Ze is toen naar de Schoft gedwaald, diep in het groeve woud.
De Schoft bracht haar naar binnen en hij maakte haar daar koud.
Nog dagen heeft hij op haar vel en bottenrek geknauwd,
en smierde ‘s avonds grinnig naar de maan.

 

Bij een Gelders dorpje woont nog steeds een oude Schoft
met knoeste vingers in een schottig hutje.
In die hut heeft hij zijn zilte drabbel neergeploft,
en klauwend zoekt hij naar zijn meurend prutje.
Met zeven vingers smeert hij alles smurkend in zijn muil,
en maakt zich tot zijn oren met de kleffe modder vuil.
Dan houdt hij zich weer gierlijk gillend in zijn hutje schuil,
en huilt er om zijn langverloren Trutje.


Hè, bah!

Bah, wat ben ik misselijk,
in dit zeehotel.
Want er ligt een visselijk,
daar op die schotel.

Hè, bah! is gepubliceerd in het tijdschrift De Tweede Ronde, zomer 2002, in de rubriek Light Verse.

Het is bovendien gepubliceerd in  het Nederlands Rijmwoordenboek van Jaap Bakker (9e editie, 2008), als een kenmerkend voorbeeld van 'oogrijm'.


De kersentaart

Een smartlap

Ik zal u gaan vertellen van
een meisje dat ik kende.
Het was een vrolijk kind, dat altijd
huppelde en rende.
Daar droeg zij witte kousjes bij,
en mooie rode laarsjes
die kleurden bij haar kersenmond
en bij haar blonde haarsjes.

 

Het meisje at het liefste taart,
ze was verzot op smullen.
Maar van haar moeder mocht dat niet,
want die vond taarten prullen.
Toch ging het meisje op een dag
maar eens een poging wagen.
Ze dacht: ”Ik ga aan mijn mama
één keer een taartje vragen.”

 

Ze kuste met haar kersenmondje
zoet haar moederlief,
en smeekte: “Ach, mijn lieve moe,
geef mij nu alsjeblief
toch eens een lekker stukje taart,
dan zal ik nooit meer zeuren!”
Maar nee, haar moeder gaf niet toe,
die liet het niet gebeuren.

 

Het arme kind! Die avond, naast haar bed,
weende zij zeer.
Ze kuste met haar kersenmondje
zoet haar teddybeer,
en zachtjes tot hem prevelend
bad zij: “Ach, lieve Heer,
geef jij me dan een stukje taart,
alleen voor deze keer!”

 

Des morgens bij ‘t ontwaken bleek
haar bede heel wat waard,
want daar stond naast haar bedje
een verrukkelijke taart.
Vol rode kersjes, slagroom en
met zeven witte kaarsjes,
die kleurden bij haar kersenmond
en bij haar blonde haarsjes.

 

“Ach jee!” dacht zij vol aarzeling,
“daar wil ik wel van likken,
maar als mijn moeder mij dan ziet
dan zal zij dat niet slikken!
Nee, ervan snoepen durf ik niet,
dat moet ik maar vergeten.
Maar als ‘k hem nu één zoentje geef,
dat zal toch niemand weten?”

 

Dus wachtte zij tot ze voldoende
moed had opgespaard
en kuste met haar kersenmondje
zacht de kersentaart.
Maar ach, haar moeder zag dat net,
en was zeer ontevreden:
haar eigen dochter heeft zij toen
de lipjes afgesneden.

 

Het arme meisje stortte stervend
neder op de grond.
Haar wrede moeder koos een kers
en stak die in haar mond.
Waarop een toorn de Heer (die zelf
de bakker was) beving.
Hij schiep terstond een pit waarin zij
stikte en verging.

 

Het arme kind! Het was niet meer.
Ach, had zij maar geweten:
er schuilt een onvermoed gevaar
in zoete taarten eten.
Ze zijn niet slechts bedreigend
voor de lijn en voor de tanden
maar vormen ook een risico
voor de familiebanden.


Helaas

Tijd dat ik stop
met dit gedicht
de inkt is



Zonder haar

Oh, ik kan niet zonder haar
Ik wil haar echt niet kwijt
Nee, ik kan niet zonder haar
Wat heb ik toch een spijt

 

Ik denk zelfs al aan medicatie
ja, ik doe een kuur
Ik neem zo’n implantatie:
O haar, wat is dat duur


O tijd, o zeden

Het was vroeger allemaal zo veel mooier
  - O mens, o tijd, o zeden
Ik was een prinsesje, jij was een schooier
  - O mens, o tijd, o zeden
We hebben met passie gekust en gestreden
Het lijkt allemaal al zo lang geleden
  - O wens, o strijd, o vrede

 

   De liefde was heet en wij waren nog heter,

   Wij voelden ons beter dan iedereen

   Wij waren verliefd en wij wilden geen ander,

   Wij lieten elkander nooit meer alleen

 

De lust en de passie beheersten ons leven
  - O mens, o tijd, o zeden
We hebben elkaar ook zo veel gegeven
  - O mens, o tijd, o zeden
Een druiper en luis heb ik van jou ontvangen
En ik kookte spek op jouw buik en je wangen
  - O pens, o spijt, o schede

 

O mens, o tijd, och heden


Hei

Heuvels glooien

Krozen sloot

 

Eekhoorns vrijen

Schapen ooien

Hunen keien

Nymfjes bloot

 

Buizerds prooien

Gaaien eien

Hemelrood


Leringen over de Liefde

Anna is het allermooiste meisje van de klas.
Ze is zo mooi, ik wou dat ik verliefd op Anna was.
Ik dacht daar ernstig over na en kreeg toen een idee.
Ik zocht het bos op en ik nam een vlindernetje mee.

 

Ik zocht en ving drie vlinders die ik in een potje stopte
en deed dat dicht nadat ik er wat bladeren bij propte.
Ik nam dat mee naar huis en kroop tevreden in mijn bed
en ging een nachtje slapen tot het volgende couplet.

 

        Lering
        De liefde is zo wonderlijk, men kan er lang naar smachten
        en wie verliefd wil zijn zal er soms lang op moeten wachten.
        Al wie een mooie vrouw verlangt die heeft nog flink te werken:
        de liefde van een mooie vrouw is enkel voor de sterken.

 

Het volgende couplet begon waardoor ik vroeg ontwaakte.
Ik trok mijn kleren aan waarna ik mijn ontbijtje maakte.
Ik smeerde drie beschuitjes en op elk deed ik een vlinder;
ze fladderden een beetje maar dat gaf niet zo veel hinder.

 

Ik at ze op. Ze smaakten vreemd en zelfs een beetje vies,
en eentje spartelde en plakte in mijn holle kies.
En zou ik nu verliefd zijn in het volgende couplet?
Ik dacht aan Anna en toen rende ik naar het toilet.

 

        Lering
        De liefde is verraderlijk, hij brengt je in vervoering
        of op zijn minst brengt hij je maag en darmen in beroering.
        Al wie een mooie vrouw begeert zal heel hard moeten slikken,
        of zwaar en eenzaam is het lot waar men zich in moet schikken.

 

Verliefde kriebels in mijn buik, ach ja, dat was mijn doel,
maar niets geen kriebels had ik nu, alleen een zwaar gevoel.
Dus holde ik naar de wc en ik begon te braken,
ik kotste en ik spuugde in wel vierentwintig smaken.

 

Wat heb ik dan toch fout gedaan? zou ik wel willen weten:
wie vlinders in zijn buik wil zal ze eerst toch moeten eten?
Ik ga het morgen nog eens doen, maar zonder ze te kauwen!
Want met een beetje tederheid wint men wel mooie vrouwen.

 

        Lering
        De liefde is de moeite waard, men kan ervan genieten
        maar wie geen sterke maag heeft kan haar beter laten schieten.
        Al wie een mooie vrouw bemint krijgt heel wat voor zijn kiezen,
        en wie te krachtig toehapt zal zijn maaginhoud verliezen.


Weg in Wenen

In Wenen daar werd eens een weg aangelegd,
met asfalt en kokende hitte.
Met Strauss werd gewalst en zo ging het mooi recht,
en iedereen zag het wel zitten.

 

Totdat een protest tegen walsen met Strauss
de uitvoering lelijk verstoorde:
de straatmakers werkten veel liever met house,
ze hielden van steile akkoorden.

 

Een paar dagen werd er in Wenen gestaakt,
ze joelden en wierpen met stenen,
totdat er een stijlvol akkoord werd gemaakt,
en iedereen staakte met wenen.

 

In Wenen oe! daar wordt nu oe! de weg aan oe! gelegd
met asfalt oe! en koken oe! de hit-tit-tit-tit tit-te.
In stijl wordt oe! gehoused en oe! zo wordt het wel niet recht oe oe!
maar ieder oe! een ziet het nu! weer zitten.


Alles voor je over

Al was je uit de muur getrokken
Al was je van de pot gepleurd
Al smaakte je naar streptokokken
Of was je driemaal afgekeurd
Al rook je ook naar vuile sokken
Al had je uit je mond gemeurd
Ik zou je in mijn tentje lokken
Als dat niet gister was gescheurd

 

Ik zou je nimmer willen krenken
Ik hield je immer in mijn oog
Ik wou wel altijd aan je denken
Want dames zitten ook graag droog
Ik zou je alles willen schenken
Ik stal voor jou de regenboog
Maar eerst moet ik nog even tanken
Want morgen gaat de prijs omhoog


Vlekkerige liefde

  


De liefde Gods

Lieve Heere, God Almachtig,
oh, wat is Uw liefde prachtig!
Niemand is als Gij zo krachtig:
sinds drie maanden ben ik drachtig.

 

Heer, Uw liefde is een wonder:
elke dag word ik gezonder
en mijn maagdenlichaam ronder.
Maar met Jos krijg ik gedonder.

 

Lieve God, de Kerk verklaart mij later misschien heilig;
toch, wat ik U bid, mijn Heer: vrij voortaan liever veilig.


De Weertse frietmachine

Met de Weertse frietmachine
   Sloeoeoeoessssjsjjjj   kkkrrrrrrrrr   hhgghgggg   plingg!
kan je heel wat geld verdienen.
   Sloeoeoeoessssjsjjjj   kkkrrrrrrrrr   hhgghgggg   plingg!
Piepers in de inlaadbak,
   Sloeoeoeoessssjsjjjj   kkkrrrrrrrrr   hhgghgggg   plingg!
Olie in de oliezak.
   Sloeoeoeoessssjsjjjj   kkkrrrrrrrrr   hhgghgggg   plingg!
Wassen, schillen, snijden, hakken, en de friet wordt al gebakken!
Sissend scheppen uit het vet, en daar heb je één friet mèt.
   Sloeoeoeoessssjsjjjj   kkkrrrrrrrrr   hhgghgggg   plingg!
   Sloeoeoeoessssjsjjjj   kkkrrrrrrrrr   hhgghgggg   plingg!

 

Wat een prachtig apparaat,
   Sloeoeoeoessssjsjjjj   kkkrrrrrrrrr   hhgghgggg   plingg!
zie toch hoe hij bakt en braadt!
   Sloeoeoeoessssjsjjjj   kkkrrrrrrrrr   hhgghgggg   plingg!
Trots zet ik hem nog wat sneller.
   Sloeoessjsjjj   kkrrrrr   hhghggg   pling!
Kijk eens even naar de teller!
   Sloeoessjsjjj   kkrrrrr   hhghggg   pling!
De machine staat op vier, en hij draait nog als een lier.
Met de stroom op duizend watt
   Sloessjj  krrr  hgg  plng! - Sloessjj  krrr  hgg  plng!
maakt hij bakken vol patat.
   Sloessjj  krrr  hgg  plng! - Sloessjj  krrr  hgg  plng!

 

Nòg wat harder! Nòg wat sneller!
   Sloessjjkrrrhggplng! - Sloessjjkrrrhggplng!
Olie sist en bruist steeds feller.
   Sloessjjkrrrhggplng! - Sloessjjkrrrhggplng!
Frieten springen wild in ‘t rond
   SloesjkrhgplngSloesjkrhgplng
piepers prakken in een klont
   SloesjkrhgplngSloesjkrhgplng
Oei! Hij knijpt nu alles fijn.
‘t Spuit eruit als een fontein!
   Slkroegsjkrlinghgploengsploesjngkrhgiplngk
Dit loopt niet goed af. OH NEE !!!
   Slkrgsjkrlnghgplngsplsjngkrhgplngkslkrgsjkrlnghgplngsplsjngkr
ALLES zit in de puree.


Inseminatie

Mechanisch pijpt men mij. Ik moet een koude liefde smaken.
De boer waardeert mij enkel om zijn financiële zaken.
Ik zal in heel mijn leven honderdduizend kindjes maken:
Ik ben een stierenlul die nooit een koeienkut zal raken.

 

Koud, koud het ijzer dat mij grijpt, het start direct met zuigen.
Ik houd mijn pootje stijf, maar toch, als altijd moet ik buigen.
Ik ween wanneer ik schiet, alleen de boer heeft iets te juichen.
Mijn droom van warme koeiensap is dood en ligt in duigen.

 

Na elke beurt maakt hij mij zuiver met een pijpenrager.
Slechts in mijn hoofd ben ik een Don Juan, een rokkenjager.
Helaas weet ik wel beter: ach, ik ben een hoorntjesdrager.
En als ik niet meer komen kan, wacht mij nog slechts: de slager.


Vies of lekker

Vies
Bijna heel het jaar
vind ik gember naar.
Slechts van juli tot september
lust ik gember in november.

 

Lekker
Ik ben hartstikke dol
op die aambeientaart,
ook al wou ik wel dat ze
geen puistjes meer spaart

 

Vies
In mei
leggen alle vogels een ei
behalve de poepoep en de pest
die kakken in andervogels nest

 

Lekker

Oh, dat moet ik niet vergeten:
de wc-eend moet nog eten!

 

Vies
Met mijn lintworm
gaat het steeds beter
alweer een
kilometer

 

Lekker
Mij vind je nimmer in de zon,
daar ga ‘k niet aan beginnen.
‘k Ga liever in de magnetron:
dan bruin ik ook van binnen.

 

Vies
De wc is een vieze machien,
hij draagt een bril om het beter te zien!
Heren, doe de bril omhoog
en plas hem midden in zijn oog.


De chocolodevlo

Ik ben een chocolodevlo,
want dat koos ik als made.
Da's droevig, want nu lust ik zo‑
veel liever hopjesvlade.

 

Laatst sprak ik in de tram een blik
oranjemarmelade.
Zij zei “noem mij maar jam”, en ik
loog “Noem mij dan maar vlade.”

 

Voorzichtig vroeg ik haar: “Wil jij ...?”
en zij zei zachtjes: “Jade.”
Die avond maakten wij een fij‑
ne sinaasappelvlade. 


Mijn grafschrift

Hier ligt Niko Roorda. Hij ligt lang niet raar daar:
hij is overleden dus dat is verklaarbaar.
Hij ligt nog niet lang zo, het is een paar jaar maar,
Zijn levensrivier bleek niet langer bevaarbaar.

 

Hij is half verteerd en dus niet meer erg zwaar daar.
Zijn vel en zijn vlees zijn nu eenmaal niet spaarbaar.
Zijn botten en tanden zijn beter bewaarbaar,
zijn kuif groeit nog verder want hij heeft geen haarschaar.

 

Hij eet niet zoveel, want het is niet erg gaar daar.
Zijn plas houdt hij op, er staat geen urinoir klaar.
Hij speelt geen muziek, zelfs niet met een gitaarsnaar.
Voor hem nooit meer feest: hij is niet meer verjaarbaar.