Your browser version is outdated. We recommend that you update your browser to the latest version.

Basisboek Duurzame Ontwikkeling

Dutch, 3e editie (2015)  

Uitgeverij Noordhoff

ISBN: 9789001862220

   
This book is applied as a TGO tool for training and course purposes.

  

First and second edition

Third edition

The English edition: Fundamentals of Sustainable Development

First copy to Doekle Terpstra, Chair of the Association of Universities for Applied Sciences in the Netherlands (HBO-raad)

Preface by Ruud Lubbers, Prime Minister of the Netherlands & United Nations High Commissioner for Refugees

A taste of the book: the first pages of chapter 2

Reviews - recensies


First and second edition

The first edition, published in 2005, was groundbreaking. It offered the first Dutch introduction to sustainable development, suitable for students of all  disciplines.

For the second edition (2010), the book was redesigned. It consists of two parts, each with four chapters. The short table of contents, in Dutch:

DEEL 1: SWOT-ANALYSE
1. Kennismaking met duurz. ontwikkeling
2. Weeffouten: mens en natuur
3. Weeffouten: mens en samenleving
4. Krachtbronnen

DEEL 2: OPLOSSINGSRICHTINGEN
5. Hier en Daar
6. Nu en Later
7. Klimaat en energie
8. Duurzaam ondernemen


Third Edition
In 2015, the third edition was launched, ISBN: 9789001862220. The structure of the 2nd edition was not changed, but the contents were updated entirely.  Actually, it is much more than just a book, as it comes with many accessories for students, such as

  • more than 200 exercises for students in every thinkable didactic style, e.g.: problem-based learning, project education, discussions & debates, art & creative tasks, math exercises, research, serious games
  • learning goals for every chapter, based on a KISA division: Knowledge, Insight, Skills & Attitude
  • summaries to the chapters
  • more than 40 video clips
  • extra texts: for each chapter, an extra. This nearly doubles the contents of the book without doubling the price, as all extras are freely available - but you have to create an account to be able to approach and download them.
  • Four computer programs developed by Niko Roorda, as accessories to some of the exercises. Elsewhere on Roorda's website, you can find descriptions of these programs:
    EPU (Environmental Pollution Unit)
    Fox Rabbit (Theoretical Model)
    Fox Rabbit (Artificial life)
    PopSim (Population Simulation)

And for lecturers, protected by a password that only lecturers can receive from the publisher (Noordhoff):

  • Answers and discussions to the exercises
  • Powerpoints for each chapter, containing the images in the book, making it easy to prepare the lessons

The English edition: Fundamentals of Sustainable Development

An English university textbook was written by Niko Roorda, with the help of two co-authors.

The book has the same structure as the Dutch Basisboek, but many of the cases and some other details have been replaced.

Look for it here: Fundamentals of Sustainable Development.


First copy handed to Doekle Terpstra

On April 12, 2006 - on Roorda's 51th birthday - the book was officially launched during a special symposium. The first copy was handed by Niko to Doekle Terpstra, Chair of the Association of Universities for Applied Sciences in the Netherlands (HBO-raad).


A preface for the first edition was written  by Ruud Lubbers, former Prime Minister of the Netherlands and former United Nations High Commissioner for Refugees. Here it is:

Ten geleide, door Ruud Lubbers

"Duurzame ontwikkeling als idee en ideaal om na te streven is iets van de laatste dertig jaar van de vorige eeuw. Het daadwerkelijk realiseren van duurzame ontwikkeling is echter pas net begonnen – een buitengewone, belangrijke opdracht voor de generatie die nu haar verantwoordelijkheid neemt. Het Basisboek Duurzame ontwikkeling verschijnt op het goede moment, juist bij de aanvang van ‘the decade of education for sustainable development’, die door Unesco op verzoek van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties ter hand genomen is.

De weg naar deze ‘decade of education for sustainable development’ en een breed gedragen acceptatie van de noodzaak van duurzame ontwikkeling was lang. Begin zeventiger jaren was het de Club van Rome – onder hen de Italiaan Aurelio Peccei, waaraan deze denktank zijn naam dankte – die de wereld versteld deed staan met Limits to growth. De formule van dat boek was even eenvoudig als verbluffend. Mede aan de hand van computermodellen (revolutionair in die tijd) werd voorgerekend wat de gevolgen op de lange termijn zouden zijn van onbeperkte groei, consumptie en verbruik van grondstoffen. Wat zou er gaan gebeuren als het nog niet ontwikkelde deel van de wereld naar de productie- en consumptieniveau’s van het welvarende Noorden zouden groeien, indien er niet spaarzaam zou worden omgegaan met grondstoffen en zonder effectieve verbeteringen in de technologie?

Het zou vijftien jaar – een halve generatie – duren voordat een commissie, ingesteld door de VN onder voorzitterschap van Gro Harlem Brundtland, haar visie als antwoord op de pessimistische verwachtingen van de Club van Rome neerlegde. Dat was het rapport Our Common Future, dat een bruikbare omschrijving van de term duurzame ontwikkeling gaf.

Het was in diezelfde tweede helft van de jaren tachtig dat het in Nederland kwam tot een eerste integraal Natuur- en Milieubeleidsplan. Dit beleidsplan maakte zoveel indruk op de toenmalige eerste minister van Frankrijk, dat het in Den Haag kwam tot een ontmoeting tussen Rocard, de Noorse premier Brundtland en ondergetekende (waarbij de laatste twee elkaar reeds goed hadden leren kennen als jonge ministers ten tijde van de eerste oliecrisis en de eerste forse ramp met een olietanker op de Noordzee). Die ontmoeting in Den Haag resulteerde in een document, dat de opmaat bleek voor de Earth Summit in Rio de Janeiro in 1992.

In technische zin produceerde de conferentie in Rio een goede agenda voor de 21e eeuw. Veel belangrijker was echter het feit dat Rio de Janeiro de eerste VN-top was waar de aanwezigheid van niet-gouvernementele organisaties in aantal en kwaliteit die van de regeringen overklaste. Het wordt dan ook wel beschreven als het moment waarop de ‘civil society’ een stem kreeg.

Deze ngo’s en vertegenwoordigers van inheemse volkeren drongen er tijdens de Earth Summit op aan te komen tot een handvest, een Charter. Daarin zou de noodzakelijke zwaartepuntverschuiving van economie tot ecologie moeten worden vastgelegd en overeengekomen. Uiteindelijk kwam het in 2000 tot het Earth Charter. Het is dit document dat thans als basis wordt gebruikt voor de ‘decade of education for sustainable development’.

Boeiend is overigens dat het Earth Charter een veel breder terrein beslaat dan alleen natuur en milieu. De overtuiging dat een ‘faire’ wereld – waarin de huidige achterstandspositie van het arme Zuiden ten opzichte van het rijke Noorden zou zijn verbeterd – een noodzakelijke voorwaarde is om te slagen bij natuur- en milieu-inspanningen vond steeds meer steun. Dat heeft alles te maken met de sterk toegenomen rol van de civil society (met name van ngo’s). ‘We the people’ hebben zich steeds meer weten te manifesteren; deels door zelf werk te verrichten op dit vlak en het goede voorbeeld te geven, deels door druk uit te oefenen op politiek en bedrijfsleven. Het handvest voor de aarde cementeert deze ‘civil society’-inspanningen.

Met een ethisch handvest alleen kom je er echter niet. Het gaat om de juiste mix van ethische gedrevenheid en praktische verbeteringen. Met dit boek, het Basisboek Duurzame ontwikkeling, toont Niko Roorda dit op een aansprekende manier.

Veel lees- en studieplezier – het is de inspanning waard."

Ruud Lubbers


A taste of the book: the first pages of chapter 2
 
Case 2.1: Veevoer

Iedereen eet. Sommigen eten alleen plantaardig voedsel, maar de meeste mensen eten vlees. Zo ook in Nederland, waar vooral vlees gegeten wordt van koeien, varkens en kippen. Deze dieren vormen, samen met de mensen die ze eten, een stukje van een voedselketen.

Die keten begint bij het plantaardige voedsel dat de dieren consumeren. Vroeger werd dat veevoer gewoon in Nederland geteeld, vaak in een gemengd bedrijf door dezelfde boer die ook het vee hield. Maar dat is niet meer helemaal zo. Tegenwoordig komt bijna de helft van het Nederlandse veevoer per schip uit het buitenland.

Dat buitenlandse veevoer bestaat onder meer uit maïs, tapioca, soja en kopra (kokosmeel), samen een invoer van rond 12 miljoen ton per jaar. Het wordt ingevoerd vanuit meer dan 60 landen, waarvan de Verenigde Staten, Brazilië, Argentinië en Thailand de voornaamste zijn.

Een nadeel daarvan is, dat er sprake is van éénrichtingsverkeer van deze landen naar Nederland. Waardevolle voedingsstoffen in de bodem van de toeleverende landen worden gebruikt voor het verbouwen van veevoer, dat verscheept wordt naar Nederland. Daar worden die stoffen opgenomen door het vee, en daarna door de mensen. Een groot deel van de voedingsstoffen komt tenslotte via de mest terecht op het boerenland. In Nederland! En niet in de oorspronkelijke landen.

Deze gang van zaken is slecht voor beide uiteinden van de keten. In Nederland hopen de voedingsstoffen zich op, en door deze ‘overbemesting’ komt er steeds meer nitraat in het grondwater en het oppervlaktewater. Gevolgen: een groene ‘soep’ van algen in meren en rivieren, verzuring van natuurgebieden, afname van de biodiversiteit (de soortenrijkdom), met name onder vlinders en paddenstoelen, die niet goed groeien in een zuur milieu. En het drinkwater in Oost-Nederland bevat regelmatig teveel nitraat en moet dan gezuiverd of verdund worden.

In de veevoer leverende landen zijn de gevolgen erger. Daar treedt juist een verlies op van waardevolle voedingsstoffen. De bodemvruchtbaarheid neemt er af en er treedt erosie op, waardoor de bodem onherstelbaar wordt aangetast. Daar waar irrigatie voor de teelt noodzakelijk is, kost dat waardevol zoet water. En er is veel oppervlakte voor nodig, waarvoor tropische regenwouden worden gekapt, met name in Thailand en Brazilië. De teelt van veevoer neemt landbouwgrond in beslag die gebruikt had kunnen worden voor de ontwikkeling van landbouw voor de eigen bevolking, een probleem dat vooral in India speelt.

Figuur 2.1.  De diverse onduurzaamheidsproblemen zijn onlosmakelijk met elkaar
verbonden in het weefsel van het wereldwijd menselijk systeem

Veel van de problemen die duurzame ontwikkeling nodig maken zijn het gevolg van fundamentele fouten in de manier waarop de mensheid zijn wereld heeft ingericht. De diverse onduurzaamheidsproblemen zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden in het weefsel van het wereldwijd menselijk systeem: zie figuur 2.1.


Dit hoofdstuk gaat over een serie van dit soort ‘weeffouten in het systeem’. Zo is er het feit dat waardevolle grondstoffen, zoals de vruchtbare bodem van case 2.1, verbruikt worden maar niet meer aangevuld: dat gaat over het ontbreken van een gesloten kringloop. Een andere weeffout is de voortdurende roofbouw op de natuur. Verder zijn er weeffouten die te maken hebben met de economische structuur, met de groei van de wereldbevolking, met de verdeling van welvaart, en zo zijn er nog meer.

Deze weeffouten vormen de hoofdoorzaken van de grote problemen in de wereld. Gelukkig staat er tegenover de weeffouten een flinke reeks van ‘krachtbronnen’ die aangewend kunnen worden om te werken aan het verbeteren van de weeffouten. Over die krachtbronnen gaat het hoofdstuk 4. Nu eerst, in dit en het volgende hoofdstuk, een aantal weeffouten.


1.1.    Eenrichtingsverkeer: geen kringlopen

Het Nederlandse veevoer komt voor een flink deel uit het buitenland, en dat vormt een moeilijk probleem. Vroeger speelde dat probleem niet. Het vee at gewoon planten van eigen bodem, die groeiden dankzij de mest van datzelfde vee: er was dus sprake van een kringloop. En daar zit de kern van het probleem: in het huidige systeem is (deels) sprake van eenrichtingsverkeer. De kringloop is niet gesloten.

De oplossing lijkt dus eenvoudig: stuur een deel van de mest, het overschot, terug naar de landen waar het veevoer vandaan komt, en je sluit de kringloop. Met zo’n aanpak is wel eens geëxperimenteerd. Daarbij werd, om gewicht en volume uit te sparen, de mest verwerkt tot droge korrels die per schip werden weggezonden. Maar dat bleek economisch niet haalbaar: te duur.

Je zou dus zeggen: waarom gaat men dan door op die manier, terwijl het toch logisch lijkt dat het zo niet tot in het oneindige kan doorgaan?

Figuur 2.2.  De kringloop is niet gesloten

Maar het is niet zo gemakkelijk om het eenrichtingsverkeer te doorbreken. Dat komt onder meer doordat er erg veel belanghebbende partijen zijn. Veronderstel dat de Nederlandse boeren samen zouden besluiten om te stoppen met het gebruik van buitenlands veevoer. Dat zou ze in ernstige moeilijkheden brengen, want de overstap op alleen maar voer van Nederlandse bodem zou de kosten flink verhogen, en de agrarische bedrijfstak in Nederland heeft het toch al niet gemakkelijk. Tal van boerenbedrijven zouden failliet gaan. Sterker, het is zelfs onmogelijk, om een andere reden. Want bij het huidige aantal koeien, varkens en pluimvee heeft Nederland domweg veel te weinig vierkante kilometers oppervlakte om al het benodigde veevoer te verbouwen. En dat wordt in de toekomst echt niet beter, zoals blijkt uit case 4 van hoofdstuk 1: ruimtegebrek.

Wie zou het op eenrichtingsverkeer gebaseerde systeem dan moeten veranderen? De importeurs ervan misschien? De invoer is hun broodwinning, of op zijn minst een deel ervan. De buitenlandse boeren die het veevoer telen? Voor veel boeren in ontwikkelingslanden is dit de enige manier om genoeg geld te verdienen om te leven.

De Nederlandse overheid misschien? Die kan in z’n eentje niet zo veel. Want het gaat niet alleen om Nederland, maar ook om nogal wat andere westerse landen die eveneens een flink deel van hun veevoer importeren. Als Nederland als enige zou proberen om het systeem te doorbreken, zou het effect zijn dat de boeren en de zuivelindustrie in Nederland kapot zouden gaan door de buitenlandse concurrentie. Het systeem zou intussen gewoon doorgaan. Natuurlijk kan men proberen om met meer landen tegelijk het systeem te veranderen. Maar stel eens dat voldoende landen op één lijn zou staan. Wat zouden de overheden dan moeten doen: de invoer verbieden? Of hoge invoertarieven heffen? In dat geval zouden duizenden boeren in Nederland en in ontwikkelingslanden failliet gaan.

En dan is er nog de consument. De gewone man of vrouw in Nederland (en in andere landen), die vlees koopt, of melkproducten. Wat kan die doen?

In z’n eentje heel weinig, natuurlijk. Je kunt vegetariër worden. Maar de meeste vegetariërs eten weliswaar geen vlees, maar gebruiken wel zuivelproducten zoals melk, eieren en kaas. Dus dan zou je al veganist moeten worden, en werkelijk alles weigeren wat van dierlijke oorsprong is. Maar er zou pas een merkbaar effect ontstaan wanneer een behoorlijk deel van de mensen veganist zou worden, en dat is op korte termijn niet zo waarschijnlijk.

Vragen

o (Als je geen veganist bent:) Vind jij dat je je bezwaard zou moeten voelen dat je, elke keer als je vlees eet of melk drinkt, een klein beetje bijdraagt aan de aantasting van het tropisch regenwoud in Azië of Zuid-Amerika?

o Wie heeft de schuld dat het eenrichtingsverkeer van veevoer in stand blijft: de multinationale bedrijven die het veevoer importeren? De boeren die het gebruiken? De mensen die vlees of kaas eten? Jij? Kortom, wie valt er iets te verwijten?


Reviews - recensies

Alle sterren die er te vergeven zijn voor dit 'Basisboek Duurzame Ontwikkeling', bedoeld voor studenten op hbo-niveau. Auteur Niko Roorda maakte er een zeer degelijke uitgave van, die bedoeld is om studenten 'een intuïtief gevoel te laten krijgen voor wat duurzame ontwikkeling is. Welke kansen en problemen zijn er? Welke bijdrage kunnen zij daaraan als professional leveren?

Dit werk is breed van opzet, met creativiteit geïllustreerd. De stof is prikkelend om na te denken over grote wereldvragen. Dan kom je als student zelf op het idee waarom je eigenlijk aan MVO zou beginnen. Hier is iemand die onderwijsboeken maakt die ik mezelf nog wel eens uit de kast zie pakken.

Jan Bom, hoofdredacteur P+


Duurzaamheid wordt heel duidelijk uitgelegd en het boek is bijzonder prettig geschreven. Het is een studieboek dat vlot en begrijpelijk leest.

Maella, hogeschoolstudent, 2013, op Bol.com


Ongeveer alles waarover we het de afgelopen jaren in verband met duurzame ontwikkeling hebben gehad, staat op hoofdlijnen wel in dit boek. Vanuit dat oogpunt kun je dit boek met recht een ‘basisboek’ noemen. Een verrijkend boek, dat ik kan aanbevelen om kennis van te nemen, ook buiten het hoger onderwijs.

Chris Maas Geesteranus, secretaris van de Vereniging Educaties Nederland


Begrijpen van een probleem, is de helft van de oplossing. Dat is een bekend gezegde. Zeker voor duurzame ontwikkeling geldt dat onverkort. Er is heel veel literatuur over duurzame ontwikkeling, over de technologieën om iets te doen, over duurzaam ondernemen en management, over specifieke problemen die verbonden zijn aan duurzaamheid. Maar in die boeken wordt er meestal van uit gegaan dat men wel weet wat dat is ‘duurzame ontwikkeling’ en wat de precieze achtergronden zijn. Vanuit dat bekend veronderstelde inzicht wordt er gewerkt naar ‘hoe je dat dan moet doen: duurzaam ontwikkelen’. Maar veel mensen hebben dat inzicht niet en zeker studenten niet. Wat men weet is meestal sterk anekdotisch en met veel misverstanden over waar het nu echt om gaat.

Het boek van Niko Roorda wil dat gat vullen. En dat doet het zeker. Daarbij is het gericht op de belangrijkste doelgroep die er wat betreft duurzaamheid is: studenten. Die kunnen en moeten er in hun toekomstige loopbaan veel aan doen. Ze hebben er ook groot persoonlijk belang: het is hun toekomst.

De opzet, met veel mogelijkheden en aanwijzingen om ook zaken zelf uit te zoeken en de combinatie met de website, zal zeker goed werken. Het stimuleert de eigen ideevorming en vraagt naar inzichten. De vragen zijn niet gericht op of men de tekst wel goed heeft bestudeerd, maar vragen; ‘wat vind jij er nu van’. Het is minder een leerboek als wel een ideeënboek.

De opzet en de keuze van de thema’s in hoofdstukken is goed doordacht. Een algemene kennismaking met zeer diverse voorbeelden; de ‘weeffouten’ met een toelichting waarom de zaken lopen zoals ze doen, de ‘krachtbronnen’ oftewel de ‘enablers’ die in principe de mogelijkheden bieden iets aan die ‘weeffouten’ te doen. En vervolgens wordt bekeken hoe je duurzaamheid kan zien als onbalans in de kansen tussen de mensen ‘hier en daar’ en die ‘nu en later’ aansluitend bij de basis van duurzaamheid zoals Brundtland die voor het eerst ‘formeel’ neerzette. Er kan geen ‘in stand houdbare’ maatschappij en economie ontstaan als die onbalans niet wordt opgelost.

Prettig is ook het grote aantal heel verschillende in voorbeelden en toelichtingen. Ook de variatie in toon daarbij is verstandig. De een heeft graag cijfers en tabellen, een ander heeft liever een plaatje of situatieschets. Persoonlijk vind ik ook de wat absurde teksten heel illustratief die tonen wat er gebeurt als we onze kop in het zand blijven steken: zoals‘als de kaartjesautomaat kon praten’, ‘de zeven boerenzonen’ en ‘landgenoten’. Willen we daar op uitkomen? Nee, dan moeten we echt eens anders naar onze activiteiten en ons zogenaamde ‘rationeel economisch denken’ kijken. Als het tot irrationele en ongewenste zaken leidt, is dat in essentie dus niet rationeel en zien we iets over het hoofd.

Dit is een zeer waardevolle bijdrage. Het is een goed boek voor een belangrijke doelgroep.

Lector Jan Venselaar in ScienceGuide


Het 'Basisboek' beschrijft duurzame ontwikkeling op een evenwichtige manier. Het besteedt aandacht aan People, Planet, Profit, Plaats en Tijd, met oog voor de mondiale kant van duurzame ontwikkeling en de toekomstaspecten ervan. De uitgave speelt in op de maatschappelijke ontwikkeling dat bedrijven, organisaties en de overheid op een bewuste en duurzame manier willen omgaan met de beschikbare hulpbronnen, het milieu en de menselijke factor. Bedrijven worden meer en meer afgerekend op de mate waarin zij een evenwicht weten te vinden tussen economische belangen, sociale aspecten en ecologische gevolgen van hun activiteiten.

Het 'Basisboek' is een vakoverstijgend boek, dat goed laat zien hoe complex het begrip duurzame ontwikkeling is. Op de website van de uitgever zijn naast een uitvoerige inhoudsopgave, ook ondersteunend materiaal en overzichten met links naar andere bronnen, organisaties en beleidsstukken te vinden.

Niko Roorda heeft dit boek in samenwerking met een wetenschappelijke adviesraad geschreven. Ook voor niet-studenten een zeer informatief boek!

Maike Nelissen, De Kleine Aarde


Er is heel wat literatuur over duurzame ontwikkeling. Het boek van Niko Roorda van de stichting Duurzaam Hoger Onderwijs (DHO) is gericht op de belangrijkste doelgroep wat betreft duurzaamheid: studenten. Het is ook bruikbaar in de derde graad van het secundair onderwijs en een ideale informatiebron voor leerkrachten.

Duurzame ontwikkeling omvat een groot aantal verschillende onderwerpen: o.a. armoede, ontwikkelingskansen, klimaat, schaarse grondstoffen, toekomstbeelden, verantwoordelijkheid van bedrijven en professionals, nieuwe technologieën. Je krijgt in het basisboek een brede inleiding over die vakoverschrijdende thema’s.

Het brengt de verwevenheid op een toegankelijke wijze in beeld. Niko Roorda brengt het thema dicht bij de eigen beleving. Het wordt herkenbaar voor iedereen. De vele tussenvragen nodigen uit tot nadenken over de eigen rol binnen duurzame ontwikkeling.

De veelheid en diversiteit aan opdrachten speelt in op verschillende vakdomeinen en interesses. Sommige opdrachten kun je individueel inoefenen. Andere opdrachten komen het best tot recht als (vakoverschrijdend) groepswerk tijdens discussieopdrachten of projectopdrachten.

Bij ieder hoofdstuk is er ondersteunend materiaal op een website, zoals verwijzingen naar andere bronnen, organisaties en beleidsstukken. De computerprogramma’s bij de opdrachten zijn leuk. De samenvattingen en begrippenlijsten aan het eind van elk hoofdstuk zijn handig.

De MOSkrant